Berichten

De urgentie van het Deltaplan Ventilatie voor scholen

In het kort:

  • Uit informatie van een aantal jaren geleden blijkt dat bij het overgrote deel van de scholen de ventilatie vaak niet aan de minimum-eisen voldeed. Te weinig frisse lucht in de lokalen.
  • Te weinig frisse lucht kan het risico van besmettingen van de leerlingen en leraar aanzienlijk vergroten.
  • Uit een recent onderzoek in Goes is gebleken dat 24 van de 30 aanwezigen leerlingen bij een klassenfeest zijn besmet geraakt en vervolgens 21 ouders werden besmet. Uit een recent onderzoek in Georgia bleek dat ook leerlingen tussen 6 en 10 besmet werden in dezelfde mate als de oudere aanwezigen.
  • Ik roep alle betrokkenen op om via het toepassen van een gericht Ventilatiebeleid (conform het Deltaplan Ventilatie) vanaf dag 1 dat de scholen weer opengaan te voorkomen dat er op scholen uitbraken plaats vinden. Om te voorkomen dat er later dit jaar of in de winter veel scholen toch weer moeten gaan sluiten.

De scholen gaan snel weer open

Binnenkort gaan de scholen weer starten in Nederland.

Anderhalve maand geleden beschreef ik de urgentie van een Deltaplan Ventilatie in Nederland voor binnenruimtes waar veel mensen aanwezig zijn. Als het in het najaar weer kouder wordt, is de kans groter dat het virus zich weer gaat verspreiden. Dat betreft dus ook de scholen. Helaas is die oproep (nog) niet opgepakt door de regering. Hoewel het RIVM sinds kort ventilatie wat hoger op de agenda heeft geplaatst ontbreekt het grote gevoel van urgentie daarbij.

Zodra het aantal echte besmettingen in een gebied duidelijk gaat oplopen (en die kans in het najaar/winter is groot) zal de kans groter worden dat er op een school iemand aanwezig is, die op dat moment anderen zou kunnen besmetten. (En alleen al door de gemiddelde grootte qua leerlingen, zal die kans bij scholen uit het VO al weer beduidend groter zijn.)

Goede ventilatie op scholen is van cruciaal belang. Maar helaas staat dit onderwerp (nog) niet hoog op de prioriteitenlijst van scholen, maar ook is het -helaas- in nogal wat gebouwen en lokalen, zonder duidelijke ingrepen niet mogelijk om voldoende te ventileren. Daarom stelde ik dat Deltaplan Ventilatie voor. Zowel voor scholen, zorginstellingen, kantoren, etc. Zodat o.a. (zeker ook met financiële steun van de overheid) op grote schaal bij de bijna 10.000 schoolgebouwen in Nederland (waarin binnenkort ongeveer 2,5 miljoen leerlingen dagelijks zullen samenkomen) het maximale gedaan wordt om daar de situatie voor leraren en leerlingen (en dus ook voor hun ouders en grootouders) Coronaproof te maken.

 

Zo groot is de problematiek

Wat het RIVM tot nu toe over de ventilatie heeft gezegd vind ik van dezelfde orde als wat ze in maart hebben gezegd over mondbescherming in de zorg. Nieuwsuur heeft daar een vernietigende reportageserie over gemaakt.  En als schoolbesturen en gemeentes (die verantwoordelijk zijn voor de huisvesting) denken dat ze zich achter de protocollen van het RIVM kunnen verschuilen, raad ik ze aan die reportage nog eens goed te bekijken. Volgens VWS hadden de werkgevers in de zorg namelijk hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen en niet zomaar de instructies van het RIVM moeten volgen.

Op twee manieren ga ik u een indruk geven van hoe groot de problematiek in scholen is/kan zijn. Eerst via informatie uit de media en van RIVM uit het verleden. En daarna met een verhaal van een leerkracht van wat hij op zijn VO-school heeft meegemaakt.

Dus eerst het onderwerp aan de hand van een artikel in het Onderwijsblad (AOB) van 30-11-2013. Dat ging over de stand van zaken van de ventilatie op basisscholen. De conclusie was “In basisscholen in het hele land is het slecht gesteld met de ventilatie”.

Het is belangrijk even te begrijpen op welke manier er gemeten kan worden of er voldoende frisse lucht aanwezig is. Dat gebeurt met een CO2-meter. Dat zijn relatief eenvoudige metertjes die vaststellen hoeveel C02 deeltjes er in de lucht zijn. In de buitenlucht zijn dat er doorgaans rond de 400 ppm (parts per million/deeltjes per miljoen).

Als er mensen in een ruimte zijn neemt dat gehalte door het uitademen van de aanwezigen toe. Maar als de ruimte voldoende geventileerd is met frisse lucht dan blijft het CO2-gehalte laag.

In ons huis, met drie personen en ramen open, zie ik waardes die doorgaans liggen tussen 450 en 550. Maar toen ik in een auto de airco zet op recirculatie (dus geen frisse lucht naar binnen haal), stelde ik al na 5 minuten vast dat dit CO2-gehalte naar 1500 steeg.

 

De aanwezigen in een klaslokaal ademen CO2 uit en het gaat erom dat die hoeveelheid door goede ventilatie niet te hoog wordt. Te veel CO2 gaat namelijk ten koste van de werkatmosfeer. Door frisse lucht binnen te laten daalt het CO2 gehalte. Dus het CO2 niveau is een prima indicator van de toevoer van frisse lucht.

Bij het Bouwbesluit voor Nieuwe Scholen wordt als bovengrens gesteld 950 ppm CO2, de Gezondheidsraad heeft als bovengrens 1.200 ppm.

In dat bewuste artikel uit 2013 staat dat waarden tussen 1.500 en 2.500 ppm op basisscholen echter heel gewoon is. Op 80% van de basisscholen is deze waarde, volgens een deskundige in dat artikel, te hoog.

In het artikel staat dat in de helft van de scholen via een goed beleid m.b.t. het openen van ramen en deuren de situatie opgevangen kan worden (maar wellicht niet als het buiten erg koud is). Maar bij de andere scholen zijn er technische aanpassingen nodig. En die kunnen best prijzig zijn (soms zelfs dient een hele installatie vervangen te worden).

Lees het artikel maar eens en je houdt je hart vast. Dit staat er o.a. in:

In het artikel wordt aangeboden aan de scholen om via de GGD een CO2 meter aan te vragen. Ik denk dat het de komende herfst en winter een standaard attribuut dient te zijn voor iedere leerkracht in ieder lokaal!

 

En zoals de ventilatie-situatie is op basisscholen, is het ook zo bij scholen uit het VO-onderwijs. Ook uit het buitenland is op te maken dat in die scholen het risico groter is dan op basisscholen. Mede omdat er (veel) meer leerlingen zijn en dat tijdens de schooltijd die leerlingen ook met veel meer andere leerlingen in contact komen van bij het basisonderwijs.

Als u denkt dat de risico’s in principe klein zijn dan moet u goed beseffen wat de GGD in Goes heeft vastgesteld bij de recente uitbraak daar. De informatie komt uit een verder -helaas- niet openbaar gemaakt rapport. Bij een klassenfeest van leerlingen uit het voortgezet onderwijs (vermoedelijk niet op school) begin juli zijn 24 van de ongeveer 30 aanwezigen besmet geraakt. (Vrijwel zeker dus door in slecht geventileerde binnenruimte het feestje te hebben gevierd). Er staat vermeld dat de meeste besmette personen onder de 18 jaar zijn geweest.

Bij het Bron- en Contactonderzoek staat vermeld dat deze 24 jongeren blijkbaar 21 personen hebben besmet, met name ouders!

Een ander recent gepubliceerd Contactonderzoek uit de VS beschrijft een grote uitbraak bij een kamp voor jongeren, die daar dan ’s nachts bleven logeren. Het was op 21 juni en ongeveer de helft van de bijna 600 aanwezigen zijn getest. De leeftijd van de jongeren was van 6 tot 18 jaar. Ongeveer de helft van de getesten bleken besmet te zijn. Dat was onder  100 geteste jongeren tussen de 6 en 10 jaar ook het geval. Van de personen waarvan men navraag had gedaan over de symptomen had 26% geen symptomen, de helft koorts, de helft hoofdpijn en een derde keelpijn.

De omstandigheden om besmet te raken waren bij dit kamp wel heel “gunstig”.  Men sliep met velen in slaapzalen (vermoedelijk niet goed geventileerd) en er werd gezongen en gejuicht, zoals het beschreven is in dat rapport.

 

Snelle actie noodzakelijk

Wat deze voorbeelden uit Goes en Georgia laten zien is dat jongeren als de omstandigheden niet goed in de gaten worden gehouden, besmet kunnen worden. Plus dat vervolgens ouders besmet kunnen worden door die jongeren.

De urgentie van het toepassen van een strak Ventilatieprotocol voor scholen blijkt hiermee overduidelijk.

Men heeft dit onderwerp helaas te lang laten liggen, zeker nu het nog maar amper twee weken duurt voordat de eerste scholen (die in de regio Noord) weer opengaan.

Ik roep het Ministerie van OCW op om niet te wachten totdat het RIVM dit onderwerp bovenaan de prioriteitenlijst zal zetten voor de scholen. (Doordat ze nog steeds de aerosolen niet zo belangrijk vinden, zullen zij ook de ventilatie achteraan het rijtje zetten “1,5 meter-persoonlijke hygiene, in de elleboog hoesten en thuisblijven bij symptomen” dat zijn en blijven hun mantra’s.)

Ik roep schoolbesturen en directies op hun verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van dit onderwerp en zich niet te verschuilen achter het RIVM-protocol.

En ik denk dat veel leraren, zeker als ze dit blog lezen, beseffen hoe belangrijk dit onderwerp is ter bescherming van henzelf, hun leerlingen en de ouders. Zij moeten aan hun school(-bestuur) eisen gaan stellen ten aanzien van het ventilatiebeleid en het keuren en Coronaproof maken van het HVAC systeem.

Daarnaast lijkt het me noodzakelijk dat voor iedere lokaal een CO2-meter beschikbaar is, waarbij het ook duidelijk moet zijn wat de leraar moet en kan doen als het CO2-niveau te hoog oploopt.

Juist om te zorgen dat de scholen ook open kunnen blijven in najaar en winter zou dit de hoogste prioriteit van iedereen te zijn!

 

Van een werkvloer

Hieronder als tweede component van dit blog, heb ik een mail opgenomen van een leerkracht van een school uit het VO-onderwijs. Ik had meer mails gehad van leerkrachten die meldden dat het slecht was gesteld met de ventilatie in hun school. Ik heb dit stuk geanonimiseerd, maar de naam van de school en van de leraar is mij bekend.

Zeker ook als je dat gelezen heeft begrijp je beter hoe urgent dit onderwerp is. Ook als je geen leraar bent of schoolgaande kinderen hebt, zul je het belang inzien dat de schoolbesturen, de PO- en VO-raad, de onderwijsbonden, en het Ministerie van Onderwijs een Deltaplan Ventilatie voor schoolgebouwen als de wiederweerga gaan opzetten en uitvoeren. Er is geen dag te verliezen.

 

Inkomende mail:

“Ik werk nu 10 jaar in het vmbo-onderwijs op dezelfde locatie. Sinds een aantal jaren parttime. Ik ben het afgelopen jaar nagenoeg niet meer in het schoolgebouw geweest mede als gevolg van het COVID-19 virus. Ik ben nu opvallend genoeg ook totaal vrij van gezondheidsklachten.

Vanaf het moment dat er een renovatie plaatsvond heb ik last gehad van benauwdheid, stank, hoofdpijn, concentratieproblemen en vooral vermoeidheid. Nu, na bijna één jaar, is dat verdwenen. Een collega die met pensioen ging kon zelfs na een jaar stoppen met zijn astmamedicatie.

Sinds die renovatie heb ik op de bres gestaan voor een verbetering van de luchtkwaliteit in het gebouw. Ik constateerde, dat als ik een tijd in dat gebouw was geweest en het gebouw verliet, dat het leek alsof ik extra zuurstof kreeg toegediend. Er is weliswaar van alles gemeten en gedaan in opdracht van het management, maar de wijze waarop dat gebeurde geeft te denken.

Metingen werden namelijk verricht in lege klassen, in het weekend en tijdens vakanties. Ik heb ook altijd gewaarschuwd voor het gevaar van besmettingen met virussen, maar dat werd genegeerd.

Klassen waren, voor zover ik weet, berekend op gemiddeld 18 personen (heb ik nooit geverifieerd kunnen krijgen), maar ik heb meegemaakt, dat er 33 personen in een lokaal aanwezig waren. En dan denk ik aan dit artikel in het AD over “plofklassen”.  Meer dan 100.000 basisschoolleerlingen in Nederland zitten in klassen met meer dan 30 leerlingen.

 

Ten aanzien van de ventilatie is de ppm (parts per million) gehaltes CO2 heel belangrijk. Maar wat die waarde zou moeten zijn lopen de meningen nogal uiteen tussen officiële organisaties en de scholen.

Het RIVM hanteert op hun website de maximale hoeveelheid van 1.200 ppm CO2 als minimumkwaliteit van de lucht. Tevens is een voorwaarde, dat er regelmatig goed geventileerd wordt en moet kunnen worden om dat getal weer omlaag te brengen. Overigens voldoet volgens opgave van het RIVM in 2011 80 tot 88% niet aan deze minimum voorwaarden.

Deze ppm-waarde is overgenomen uit een advies van de Gezondheidsraad over de binnenlucht kwaliteit in basisscholen.

In België hanteert men als toegestane norm tweemaal de buitenwaarde en dat is ongeveer 900 ppm CO2. Dat is al 25% minder dan in Nederland

Het management zei zich te houden aan de richtlijnen van het Ministerie van Onderwijs, maar op het moment dat een constante waarde van 1000 PPM CO2 (en hoger!) in combinatie met een luchtvochtigheid van tussen 10 en 20% als toegestane waarde wordt gehandhaafd, kunt u wel nagaan, dat de omstandigheden vraagtekens oproepen. En al helemaal wanneer door het gebrek aan ramen niet goed geventileerd kan worden.

Op dit moment hebben ze juist de filters vernieuwd. Aan de luchtvochtigheid en de ventilatie wordt evenwel wederom geen aandacht besteed.

Ik volg de website van het RIVM hierover. Die is recentelijk aangepast, maar er staat toch nog wel één en ander op. Kijk maar hier. Dit staat er sinds bijna tien jaar op:

Ik denk niet dat er sindsdien echt iets veranderd is.

In de genoemde situatie bij ons is er dan ook nog sprake van een luchtvochtigheid van 15 tot 25% . Dit, terwijl de ARBO als advies 40 tot 65% hanteert.

Ik verzeker u, dat 1.000 ppm CO2 uiterst drukkend is en dat je dat gecombineerd met 15% luchtvochtigheid niet lang volhoudt. Ik laste noodgedwongen extra pauzes in en stond toe dat leerlingen water dronken in de klas.

Ten overvloede wil ik erop wijzen, dat van deze situatie elke dag vele uren achtereen opnieuw sprake is. Voor leerlingen nog meer dan voor docenten, want die hebben nog wel eens een tussenuur.

Overal zijn dus richtlijnen opgesteld door officiële organisaties, maar scholen lappen die aan hun laars.

Die officiele organisaties wijzen ook op voorkomende klachten als hoofdpijn, ziekteverzuim etc., etc. En minstens zo belangrijk in een leerklimaat: concentratiestoornis met als gevolg lamlendig gedrag.

Vreemd genoeg wordt door de overheid wel een fortuin besteed aan het buitenklimaat en de handhaving van de opgestelde regelgeving en milieu-zones en dergelijke, maar aan binnenruimtes in scholen (en nog veel andere gebouwen) doet men weinig tot niets.

Wat gedachten bij de “viral dose”.

In het kort

  • Beschreven wordt de “viral dose”,  de hoeveelheid virus die iemand kan inademen en de mate waarin die persoon vervolgens geïnfecteerd/ziek wordt.  Belangrijk zijn daarbij de hoeveelheid virus en de duur en diepte van het inademen.
  • Er is een besmettingsschaal: “niet geïnfecteerd”-“wel geïnfecteerd, geen symptomen”- “lichte symptomen”-“ernstige symptomen”.
  • Wanneer bewoners in zorginstellingen besmet zijn door slecht functionerende ventilatie is de kans groot dat ze veel virus hebben binnengekregen en, mede door hun leeftijd en gezondheidssituatie, vaak ernstige symptomen hebben en er relatief vaak aan overlijden.
  • Mondkapjes lijken de viral load te beperken en ervoor te zorgen dat men lager op het besmettingscontinuüm komt.

De besmettingsschaal

In de aanloop naar een heel belangrijk nieuw blog dat in de tweede helft van deze week zal worden gepubliceerd, wil ik het even hebben over het begrip “viral dose” (In de originele versie schreef ik “viral load”, maar dit is de juiste term.

Het begrip wordt ook gebruikt aan te geven hoeveel virus iemand naar binnen krijgt. De belangrijke vraag is dan wanneer je geïnfecteerd wordt. Als je daarover de literatuur leest dan lijkt er een continuüm te zijn. Je wordt niet geïnfecteerd als er heel weinig virus is. Hoe meer virus je binnenkrijgt, hoe groter de infectiekans, maar ook hoe zieker je wordt.

Daarom onderscheid ik deze schaal bij het binnenkrijgen van het virus:

  1. niet geïnfecteerd
  2. wel geïnfecteerd maar geen symptomen
  3. wel geïnfecteerd met lichte symptomen
  4. wel geïnfecteerd met ernstige symptomen.

En des te meer virus je binnen krijgt, des te meer je naar beneden verschuift op deze schaal.

De impact hiervan verschilt van persoon tot persoon. Zo zullen ouderen gemiddeld bij dezelfde hoeveelheid virus eerder naar onderen verschuiven dan jongeren. Ook spelen allerlei aspecten van je gezondheid en immuunsysteem hierbij een rol.

Er zijn in principe twee hoofdwegen waardoor het virus bij je naar binnen kan komen.

  • Via het direct-contact scenario, dus één of meer druppels komen in je neus/mond of oog terecht, en dat zou dan een startpunt van de infectie kunnen zijn. (Het scenario waar WHO en RIVM voor gaan).
  • Via het inademen van microdruppels (aerosolen) die direct naar de longen gaan en zich daar nestelen. (Waarvan inmiddels steeds meer wetenschappers onderkennen dat ze een belangrijke rol spelen en ik denk een heel belangrijke, wat ik hier uitwerk).

Het is belangrijk te beseffen dat er veel onderzoek is waaruit blijkt dat het op deze manieren binnen krijgen van virusdeeltjes nog niet automatisch betekent dat je dan ook geïnfecteerd wordt.

Het lichaam kent meerdere manieren om dit soort indringers zich niet te “laten vestigen” in je lichaam. Een basale manier (de druppel wordt bijvoorbeeld ingeslikt of op een andere manier weggefilterd). En vanuit je immuniteitssysteem zelf, dat continu bezig is om elementen te bestrijden die je gezondheid kunnen bedreigen.

Het lijkt erop dat als het lichaam met dat laatste bezig is, er niet altijd antistoffen worden gevormd (waarmee dan vastgesteld kan worden dat je besmet bent geweest), maar dat het ook alleen via de T-cellen gebeurt.  Dan zou je zonder dat er antistoffen zichtbaar zijn, toch immuun kunnen zijn voor die betreffende aanval van virussen of bacteriën.

 

Deze inleiding is van belang voor een aantal patronen die ik zie en waarvan ik denk dat het component “viral dose” daar een belangrijke rol in speelt. Als de besmetting via aerosolen verloopt, en je het virus dus inademt, dan zal het virus dus in de tijd veel geleidelijker binnendringen dan als je besmet wordt via een druppel die in je neus of mond belandt. Het gaat er enerzijds om hoeveel virusdeeltjes er in de lucht zweven en anderzijds hoe lang je die aan het inademen bent.

Hoe meer virusdeeltjes in je longen belanden, hoe groter dus de kans op infectie en hoe ernstiger de symptomen kunnen zijn. De exacte waardes hiervoor zijn niet bekend en kunnen dus ook per persoon verschillen op basis van leeftijd en gezondheidssituatie.

Als ik informatie bestudeer van superspreading events en wat er bij zorginstellingen is gebeurd, dan kijk ik vooral naar het percentage van de aanwezigen/bewoners dat besmet is geworden en hoeveel er vervolgens zijn overleden. Zeker als je wat meer weet over de leeftijdssamenstelling van de betrokkenen kan dat extra informatie geven.

 

De IFR (Infection Fatality Rate)

Ten aanzien van COVID-19 is er één heel belangrijke waarde waar heel veel discussie over is: de IFR (Infection Fatality Rate). Dat is het aantal mensen dat is overleden door COVID-19 gedeeld door het totaal aantal besmette personen.

Als je die twee termen leest begrijp je al hoe problematisch dit is:

  • “Het aantal mensen dat is overleden door COVID-19” kent vele soorten problemen, zoals of iemand gestorven is aan het virus of dat het virus daarbij een rol of rolletje speelde. En niet iedereen die overlijdt is getest of die wel het virus had. Men probeert dit aantal te schatten via de oversterftecijfers van bijvoorbeeld het CBS, maar ook daar kan discussie over ontstaan.
  • “Het totaal aantal besmette personen” is ook een cijfer dat we eigenlijk niet kennen. In diverse landen zijn bij een steekproef onder alle bewoners tussen 25 en 85 keer meer personen gevonden met antistoffen dan men dacht dat het er waren op basis van de aangetoonde besmette gevallen, hetgeen duidt op een grote onderschatting van het totaal aantal besmette personen. Die onderschatting heeft grote gevolgen.

De WHO meldde in februari dat de IFR rond de 3% zou liggen. Dus dat van alle mensen die besmet werden er 1 op de 33 overleed. Maar ja, als je geen goed beeld hebt van het echte aantal besmette personen, dan dreig je dus die IFR sterk te overschatten.

Vrij snel erna bleek inderdaad het cijfer niet zo hoog te liggen en was het gevoel (mede door de cijfers in Zuid-Korea) dat het rond de 1 zou liggen. Maar onderzoeken daarna, waarbij men via steekproefonderzoek onder de bevolking de echte besmettingsgraad probeerde te bepalen, laten zien dat het cijfer nog fors lager ligt. Daarbij hangt het ook nog sterk af van de leeftijdsverdeling van degenen die besmet worden, want onder ouderen is die IFR heel veel hoger dan onder jongeren. In dit grootschalige Italiaanse onderzoek is die onder personen boven de 90 jaar circa 10% en bij personen tussen de 30 en 39 jaar minder dan 0,01%.

Als een bevolking weinig ouderen kent, dan heeft dat dus grote gevolgen voor de uiteindelijke IFR. In Nederland is van alle bewoners ruim 8% boven de 75 jaar (bijna 1,5 miljoen mensen). In India is dat cijfer 2% (maar nog steeds wel 28 miljoen personen). Boven de 80 jaar zijn die cijfers resp. 4% en 0,07%)

De IFR-cijfers die we nu zien wereldwijd liggen tussen de 0,05% en de 0,4%. In dit blog maakte ik een inschatting van de IFR van de heftige griepgolf uit 2017-2018. De oversterfte was toen rond de 10.000. Met behulp van onderzoek dat ik destijds in Peil.nl uitgevoerd had, kwam ik tot een schatting dat rond de 3,5 miljoen mensen toen griep hebben gehad. De IFR toen moet dus rond de 0,3% hebben gelegen voor die griepgolf. De tabel die ik toen heb laten zien geeft ook aan dat de opbouw qua leeftijd behoorlijk op COVID-19 lijkt, alleen niet de verhouding man en vrouw. (Voor zowel de berekeningen over 2017-2018 en COVID-19 zijn het natuurlijk wel schattingen).

 

Dit grootschalige Italiaanse onderzoek laat voor de leeftijdsgroep tussen 80 en 89 bij COVID-19 een IFR zien van rond de 5% (1 op 20). Boven de 90 zie je een IFR van rond de 10% (1 op 10).

 

Wat gebeurde er dan in zorgcentra?

Met die cijfers als referentiepunt viel me vooral op dat bij zorginstellingen waar veel mensen waren besmet, zoveel van die personen zijn overleden. Ik kom cijfers tegen van 1 op 3 tot 1 op 4, zoals bij dit zorgcentrum in Amsterdam, deze in Sommelsdijk  of deze in Rotterdam. En dit bijzondere online verslag uit een zorginstelling in Sydney laat zelfs een cijfer zien van 1 op 2. (Hoewel ik denk dat ze daar het totaal aantal besmette bewoners onderschatten, maar gezien de grootte van die instelling kan het niet meer dan 1 op 4 zijn).

Nu is het zeker zo dat de gezondheidssituatie van die personen in die zorginstellingen gemiddeld slechter is dan leeftijdsgenoten die niet in een zorginstelling zitten, dus daarom zou je ongunstiger sterftecijfers kunnen verwachten. Maar ook in absolute zin waren er wel beduidend meer personen tussen de 80 en 90 betrokken dan personen boven de 90, dus dat zou het cijfer ook weer wat lager moeten maken dan die 1 op 10 van de personen boven de 90 die in Italië waren vastgesteld.

Tot ik een aantal zeer recente studies over het contactonderzoek in de VS bestudeerde en de informatie over een aantal recente Nederlandse uitbraken, zoals in Hillegom, Goes en Rotterdam, en me ineens realiseerde dat de “viral dose” een grote rol speelde bij de sterftekans.

Ik ben er zeker van, zoals ik al maanden zeg, dat als bij zorginstellingen het overgrote deel van de bewoners besmet is geraakt, dat gekomen moet zijn door aerosolen en een slecht werkend ventilatiesysteem. (Te weinig frisse lucht naar binnen en zonder een echt goed filter systeem en/of air purifiers). Maar dat betekent ook dat die arme bewoners gedurende lange tijd lucht inademden met virusdeeltjes erin. Dat is toch anders dan als je op een bepaalde locatie bent geweest, daar feest gevierd hebt of met een koor geoefend, en na een paar uur weer weg bent gegaan. Als je pech hebt gehad kan het toch zijn dat je behoorlijk wat virus binnen hebt gekregen, maar het is echt wat anders dan als je in een verzorgingshuis op je kamer zat en het ventilatiesysteem wellicht vrijwel continu virusdeeltjes over de kamers van de bewoners verspreidde. In dat laatste geval is zowel te begrijpen dat het overgrote deel van de bewoners besmet is geraakt, als dat zoveel inwoners zo ziek zijn geworden dat meer dan een kwart van hen overleed.

Het is bijzonder spijtig dat WHO/RIVM het belang van aerosolen (en ventilatie) zo lang hebben genegeerd (en het nu nog steeds niet de prioriteit geven die het zou horen te hebben). Want daarom is er zo weinig studie gedaan naar de invloed van het ventilatiesysteem bij uitbraken en worden er ook geen inschattingen gemaakt of berekeningen uitgevoerd om een indruk te krijgen van hoe hoog de viral load geweest kan zijn. Met dat soort studies zouden we ook een indruk kunnen krijgen wat de echte relatie is tussen die viral load en de kans om geïnfecteerd te worden en de mate waarin je dan ziek kan worden. Want het goede nieuws is wel dat er inmiddels studies zijn waaruit blijkt dat 80% van de onderzochte personen wel antistoffen hebben, maar geen symptomen hebben gehad.

Plus dat er dan een beleid kan worden uitgevoerd om dit soort situaties maximaal te voorkomen.  En dat doe je dus niet door maar te hameren op die 1,5 meter of het belachelijke besluit neemt dat men met mondkapjes moet gaan lopen in de buitenlucht.

Daarover heb ik iemand horen zeggen dat als je buiten een mondkapje draagt, dat je dan ook een helm moet gaan dragen. Want de kans dat je een tak of bloempot op je hoofd krijgt is net zo groot als je buiten besmet wordt met COVID-19.  (Hier beschrijf ik dat het buiten wel verstandig is om niet face-to-face met elkaar te spreken met een kortere afstand tussen de gezichten dan 1 meter).

En als je wilt weten wat mijn opvatting is over het dragen van mondkapjes in de openbare BINNENruimtes dan treft je die hier aan.

 

Mondkapjes en de “viral dose”

Ik had het bovenstaande net gepubliceerd of ik kwam op twitter een interessante serie tegen van Dr. Ali Nouri. Hij is een moleculair bioloog en voorzitter van de Amerikaanse organisatie van wetenschappers. Hij plaatste vier tweets over bevindingen die erop wijzen dat als je een mondkapjes draagt, het niet betekent dat je dan zelf niet besmet kan worden, maar wel dat de “viral dose” -fors?- wordt gereduceerd. En dat men dan dus hoger op het continuüm terecht kan komen.

Hieronder treft u die tweets zonder verder commentaar aan.

Dit zou erop wijzen dat als jij zelf bang bent om besmet te worden je in openbare BINNENruimtes mondkapjes kan dragen en daarmee je eigen kans dat je door het virus erg ziek wordt aanzienlijk verkleint. In BUITENruimtes is het risico van besmetting zo klein dat het nadeel van het dragen van het mondkapjes daar groter is dan het voordeel.

Wie van bestuurlijk Nederland komt eindelijk bij zinnen?

Sinds 22 maart heb ik ruim 100 blogs geschreven over COVID-19.  Het was steeds een combinatie van data-analyses, logica en het bestuderen van studies en artikelen. Sommige zelfs van meer dan 50 jaar oud.

De belangrijkste schakel om alles wat ik bestudeerd heb te begrijpen, was de dominante rol van aerosolen bij de verspreiding van COVID-19. Die dominante rol maakte alles wat ik waarnam logisch verklaarbaar. Terwijl bij een dominante rol van de verspreiding van deze ziekte via overdracht van grotere druppels (direct of indirect) veel van wat ik waarnam onverklaarbaar was.

Vanuit die bevinding concludeerde ik ook dat de aanpak om COVID-19 te bestrijden niet de juiste was. Het richtte veel te veel schade aan op allerlei vlakken van de samenleving, plus dat het onvoldoende bescherming gaf tegen besmetting.

Mijn standpunten werden door veel van de in de Nederlandse media verschijnende deskundigen hetzij genegeerd of met kwalificaties van divers niveau afgewezen. Belangrijkste kritiek zou zijn dat ik geen medicus/viroloog of wetenschapper zou zijn. In veel media werd ik volledig genegeerd. En als er aandacht werd besteed, dan vrijwel alleen in columns met een laatdunkende insteek.

Op YouTube werden video’s met mij verwijderd en/of via Google moeilijk vindbaar gemaakt. Dat laatste is trouwens nog steeds het geval. Op 14 mei plaatsten we een video met een tekenfilm op Facebook waar we het grote belang van aerosolen uitlegden en dat de anderhalve meter samenleving daar niet het goede antwoord op was.

Als je die video wilde of wilt kijken dan zie je dit:

Ergens onderaan is dan nog wel de plek waar je de video kunt bekijken, maar die wordt dan nog amper gevonden, want direct na dit ingrijpen nam het aantal views sterk af.

Gezien de kennis die we nu inmiddels hebben geeft dit op een onthutsende manier weer in wat voor wereld we zijn beland. Orwells 1984 was nog te optimistisch: COVID-19(84).

Vrijdag verscheen er een artikel van Dr. Kevin Fenneley in The Lancet. Hij is een specialist in longziekten. Hij komt tot vergelijkbare conclusies als ik.

Ik volsta in dit blog zijn belangrijkste bevinding te melden en een afdruk van de eerste drie “Key messages” uit het artikel.

“Een nieuw paradigma van besmettelijke aerosolen

Deze gegevens tonen aan dat besmettelijke aerosolen van mensen bestaan in een breed scala van deeltjesgroottes, die opvallend consistent zijn in studies, methoden en ziekteverwekkers.

Er is geen bewijs om het concept te ondersteunen dat de meeste respiratoire infecties worden geassocieerd met voornamelijk grote druppelsoverdracht. In feite zijn kleine deeltjesaerosols de regel, in plaats van de uitzondering, in tegenstelling tot de huidige richtsnoeren.

Deze kleine deeltjes komen voor zonder dat er een langere tijd nodig is om de verdroging toe te laten, en ze zijn van een grootte die direct ingeademd kan worden.

Deze informatie voegt ook bewijs toe dat de huidige dichotome infectiebestrijding dient geüpdate te worden”

.
 

En dit zijn de eerste drie belangrijkste boodschappen van dit artikel volgens de auteur.

 

Tot slot dan nog eens mijn belangrijkste conclusie uit deze 5 maanden:

Het overgrote deel van de besmettingen met COVID-19 gebeurt door het inademen van het virus en niet via grotere druppels die in de neus, mond of ogen van een nog niet geïnfecteerd persoon belanden. 

(In deze brief aan het RIVM van 25-6 onderbouw ik dit: Basisstuk voor RIVM)

 

Wordt het nu toch niet eens tijd dat verantwoordelijke mensen in bestuurlijk Nederland, de politiek, de media en in de wetenschap, bij zinnen komen en aangeven, dat het nu toch eens eindelijk afgelopen moet zijn met de hegemonie van WHO/RIVM en OMT in ons land?

Die vooral bezig zijn de mensen gevangen te houden via het instandhouden van angst. Er is al veel te veel schade aangericht. Een deel ervan is, vrees ik, onherstelbaar. Maar meer mag en moet er niet bijkomen.