Bijna zes op de tien Nederlanders vinden de erfbelasting te hoog, maar 38% wil volledig afschaffen tegenover 28% die juist wil verhogen voor grote erfenissen. Die scheidslijn loopt scherp langs partijvoorkeur; het huishoudinkomen verklaart opvallend weinig, zelfs aan de bovenkant.
Lees volledig artikel: Te hoog, vindt Nederland. Daarna houdt de eensgezindheid op.
Bijna zes op de tien Nederlanders noemen de erfbelasting te hoog. Maar op de vraag wat er dan moet gebeuren, valt het land uiteen in twee bijna even grote kampen — en die scheidslijn loopt veel scherper langs de stembus dan langs de portemonnee.
Wat zou u het liefst zien gebeuren met de erfbelasting? Antwoorden van heel Nederland, in procenten.
Eén oordeel, twee tegengestelde oplossingen
Het startpunt is helder. Op de vraag of het huidige systeem van erfbelasting rechtvaardig is, antwoordt 58% dat de belasting te hoog is. Slechts 17% vindt het goed zoals het nu is, 16% vindt de belasting juist te laag en 9% heeft geen oordeel. Wie alleen naar dat cijfer kijkt, leest daarin een mandaat voor verlaging.
Zodra de vraag concreet wordt, verdampt dat mandaat. Gevraagd naar de gewenste richting kiest 38% voor volledige afschaffing en 16% voor verlaging: samen 54%. Daar staat tegenover dat 28% de erfbelasting juist wil verhogen voor grote erfenissen. Nog eens 13% wil het ongeveer laten zoals het is, en maar 5% weet het niet — opvallend weinig twijfel voor een onderwerp dat de meeste mensen zelden van dichtbij meemaken.
Het land bestaat hier dus niet uit een grote meerderheid en een kleine oppositie, maar uit twee blokken met tegengestelde recepten en een smal midden ertussen. Dat is bestuurlijk het lastigste patroon dat er is: elke concrete maatregel maakt een kleine helft blij en een kleine helft boos.
De stembus verdeelt veel scherper dan het inkomen
Het verschil naar stemgedrag is de grootste die dit onderzoek laat zien — en het is enorm. Van de PVV-stemmers wil 83% de erfbelasting volledig afschaffen; bij FVD is dat 75% en bij JA21 55%. Aan de andere kant van het spectrum wil 75% van de PRO-stemmers en 51% van de D66-stemmers de belasting juist verhogen voor grote erfenissen. Tussen de uiterste posities zit ruim tachtig procentpunt verschil.
Wat zou u het liefst zien gebeuren met de erfbelasting?
Naar huidig stemgedrag, in procenten. Partijen gerangschikt naar steun voor afschaffing.
Lezen als elke balk telt op tot 100%. Segmenten kleiner dan 7% zijn niet gelabeld; de exacte waarden staan in de tabel hieronder.
Dezelfde kloof zit in het rechtvaardigheidsoordeel: 87% van de PVV- en FVD-stemmers en 85% van de JA21-stemmers noemt de belasting te hoog, tegen 15% van de PRO-stemmers — van wie juist de helft (50%) vindt dat de belasting te laag is.
Twee partijen verdienen aparte aandacht. De VVD-achterban wil overwegend omlaag (39% afschaffen, 24% verlagen), maar wil vooral niets radicaals: 29% wil de erfbelasting ongeveer gelijk houden, het hoogste aandeel van alle partijen, en slechts 5% wil hem verhogen voor grote erfenissen. Het CDA is de enige partij zonder duidelijk kamp: 35% wil verhogen voor grote erfenissen, 21% wil afschaffen en 24% wil het laten zoals het is. Wie de kiezersgroepen naast elkaar legt, ziet dat afschaffing en verzwaring elk hun eigen, scherp begrensde electoraat hebben.
| Belasting te hoog | Volledig afschaffen | Verhogen voor grote erfenissen | Familie mag bevoordeeld | |
|---|---|---|---|---|
| NEDERLAND | 58 | 38 | 28 | 54 |
| PRO | 15 | 6 | 75 | 62 |
| D66 | 30 | 8 | 51 | 52 |
| CDA | 53 | 20 | 35 | 60 |
| VVD | 69 | 39 | 5 | 62 |
| JA21 | 85 | 55 | 5 | 57 |
| PVV | 87 | 83 | 4 | 36 |
| FVD | 87 | 75 | 8 | 40 |
| onbeslist | 67 | 25 | 18 | 60 |
Op een smal scherm: veeg de tabel horizontaal.
Bij de familievrijstelling breekt het patroon
De derde vraag draait de verhoudingen om. Landelijk vindt 54% het redelijk dat de vrijstelling afhangt van de familierelatie met de overledene; 37% wil dat iedereen dezelfde vrijstelling krijgt. Maar juist de achterbannen die het felst tegen de erfbelasting zijn, willen dat familievoordeel níet: bij de PVV vindt 55% en bij FVD 52% dat de vrijstelling voor iedereen gelijk moet zijn — in beide gevallen een meerderheid, en het spiegelbeeld van hun antwoord op de eerste twee vragen.
Aan de andere kant staan VVD- en PRO-stemmers, die het onderling over vrijwel niets eens zijn, hier zij aan zij: beide 62% vóór bevoordeling van familie. Het bezwaar van de PVV- en FVD-achterban richt zich dus op de belasting zelf, niet op de vormgeving ervan — en waar het over de vormgeving gaat, kiezen ze de gelijke behandeling.
Mag de vrijstelling afhangen van de familierelatie?
Aandeel dat antwoordt: ja, familie moet bevoordeeld worden. In procenten.
Stippellijn = Nederland, 54%
Naar huishoudinkomen
Naar huidig stemgedrag
Lezen als de stippellijn is het landelijke gemiddelde van 54%. Blauw ligt daarboven, rood eronder. Bij inkomen loopt de steun op; bij stemgedrag staan PVV en FVD ver onder de rest.
Naar inkomen loopt geen rechte lijn, maar een U
Wie verwacht dat de weerstand tegen de erfbelasting netjes toeneemt met het inkomen, komt bedrogen uit. Het aandeel dat de belasting te hoog vindt schommelt tussen 50% (minimuminkomens) en 68% (modaal en twee keer modaal), zonder patroon in één richting. Bij de hoogste inkomens ligt het met 57% zelfs onder het landelijke gemiddelde.
Vindt u het huidige systeem van erfbelasting rechtvaardig?
Naar bruto jaarinkomen van het huishouden, in procenten.
Lezen als de donkerrode en donkerblauwe uiteinden zijn de twee soorten onvrede: te hoog tegenover te laag. De lichtgrijze staart rechts is het aandeel zonder oordeel, dat vrijwel verdwijnt bij de hoogste inkomens.
Het antwoord “de belasting is te laag” laat wél een duidelijke vorm zien, en het is een U: 26% bij minimuminkomens en 24% bij meer dan twee keer modaal, tegen 11% in het midden. Dezelfde U keert terug bij de gewenste richting. Volledige afschaffing is het populairst bij de groepen onder en rond modaal (46% en 44%) en het minst populair aan beide uiteinden (32%). Verhogen voor grote erfenissen scoort juist het hoogst bij minimuminkomens (37%) en bij de hoogste inkomens (34%).
Eén ding beweegt wel netjes met het inkomen mee: de twijfel. Van de laagste inkomensgroepen heeft 14% tot 18% geen oordeel over de rechtvaardigheid van het systeem, bij twee keer modaal is dat 2% en daarboven nog 1%. Hoe hoger het inkomen, hoe stelliger het antwoord — wat past bij een belasting die de hoogste inkomens vaker van dichtbij meemaken.
De enige heldere inkomenslijn in het hele onderzoek zit bij de familievrijstelling. Van de laagste inkomens vindt 46% het redelijk dat familie wordt bevoordeeld; bij meer dan twee keer modaal is dat 66%. Twintig procentpunt verschil, en stap voor stap oplopend. Naarmate er meer te vererven valt, groeit de steun voor het idee dat het binnen de familie hoort te blijven.
| Belasting te hoog | Belasting te laag | Geen oordeel | Volledig afschaffen | Verhogen voor grote erfenissen | Familie mag bevoordeeld | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| NEDERLAND | 58 | 16 | 9 | 38 | 28 | 54 |
| Minimum | 50 | 26 | 14 | 32 | 37 | 46 |
| < modaal | 59 | 11 | 18 | 46 | 26 | 46 |
| Modaal | 68 | 11 | 4 | 44 | 22 | 55 |
| 1–2× modaal | 56 | 18 | 7 | 40 | 32 | 57 |
| 2× modaal | 68 | 14 | 2 | 37 | 22 | 56 |
| > 2× modaal | 57 | 24 | 1 | 32 | 34 | 66 |
Op een smal scherm: veeg de tabel horizontaal.
Breed onbehagen, smalle overeenstemming
De drie vragen samen schetsen een land dat het eens is over het gevoel en oneens over vrijwel al het andere. De onvrede is breed en raakt alle inkomensgroepen; de richting is dat niet. Politiek gezien is de erfbelasting geen inkomensvraagstuk maar een identiteitsvraagstuk: het huidige stemgedrag voorspelt de mening veel beter dan de hoogte van het huishoudinkomen. En wie denkt dat de tegenstanders van de erfbelasting ook de vrijstellingen voor familie willen beschermen, heeft het bij twee van hun grootste achterbannen mis.
Verantwoording
Alle cijfers zijn percentages binnen de betreffende groep; per vraag tellen de antwoorden op tot 100%. In de tekst en de grafieken is afgerond op hele procenten, waardoor optellingen één punt kunnen afwijken. De partijaanduidingen zijn overgenomen uit het databestand; “onbeslist” staat voor respondenten die nog niet weten waarop zij zouden stemmen.
Het onderzoek is uitgevoerd door Peil.nl op 31 juli en 1 augustus 2026 onder 4.179 ondervraagden, een voor Nederland representatieve steekproef. Bij die omvang bedraagt de onnauwkeurigheidsmarge op landelijke uitkomsten ongeveer 1,5 procentpunt. Voor de uitsplitsingen in dit rapport ligt die marge hoger, en bij de kleinere achterbannen en de hoogste inkomensgroepen kan zij oplopen tot enkele procentpunten. Verschillen van een paar punten tussen subgroepen zijn daarom niet zonder meer betekenisvol; de patronen die in dit rapport worden besproken, beslaan tientallen procentpunten.



