Welkom in de Roaring Twenties 2.0

Bij de start van het nieuwe decennium, waarin ons politieke stelsel grote veranderingen zal doormaken, of men nu wil of niet.

De twintiger jaren van deze eeuw zullen evenals de Roaring Twenties van de vorige eeuw uitermate roerig worden. Dat zal op vele terreinen plaatsvinden. Veel ervan is nog steeds te herleiden tot de ingrijpende effecten van de uitrol van internet, zoals ik die in mijn boek “Dankzij de Snelheid van het Licht” uit 1995 had voorzien.  (In 2016 beschreef een journalist van Vice hier in welke sterke mate mijn voorspellingen uit dat boek inmiddels waren uitgekomen.) 

Als u denkt dat er de afgelopen 10 jaar op dat terrein al veel is veranderd en we nu in een wat rustiger vaarwater terecht komen, dan moet ik u teleurstellen. “You ain’t seen nothing yet”, zoals de Amerikanen zo treffend zeggen.

Ik zou nog een nieuw boek kunnen schrijven over wat er allemaal nog staat te gebeuren, door wat de technologie inmiddels al mogelijk maakt, en verder nog mogelijk zal maken voor nieuwe generaties, geboren in deze eeuw, die van jongs af aan opgegroeid zijn met de virtuele wereld.

Maar ik zal me tot één hoofdstuk beperken: ons politieke stelsel in relatie tot de ontwikkelingen in de electorale ontwikkelingen en de (on)mogelijkheid tot regeringsvorming.

Naast de grote technologische veranderingen hebben zich namelijk ook grote veranderingen voltrokken onder het electoraat. Die combinatie zorgt ervoor dat het stelsel, stammend uit de 19e eeuw, niet meer past bij de samenleving van vandaag. En niet in Nederland alleen.

Om goed te beseffen hoe ingrijpend de veranderingen onder het electoraat zijn geweest, geef ik eerst een beeld van hoe anders het electoraat er 60 jaar geleden uit zag. Vervolgens hoe dat inmiddels volledig anders is

Ik eindig met een beschrijving hoe na de volgende verkiezingen een regering kan gevormd worden, die veel meer past bij de samenleving van vandaag en waardoor het wel mogelijk zal zijn de polarisatie in Nederland aanzienlijk te doen verminderen.

Wilt u direct daar naar toe springen klik dan hier.

 

60 jaar geleden

Met behulp van statistisch materiaal van 60 jaar geleden is een beeld te geven van de situatie toen en de verschuivingen sindsdien.  Omdat 1960 nog steeds de periode was van de verzuiling, die we in Nederland lang gekend hebben, weten we dat het beeld van toen ook gegolden heeft in de 30 jaar ervoor.

De kenmerken, die in die 60 jaar het meest zijn veranderd onder de bevolking, zijn de rol van de religie en de welstand/het opleidingsniveau van de bevolking. Vanuit informatie van het CBS is daar een goed beeld te geven.

Ten aanzien van welstand-/opleidingsniveau zegt de grafiek met de ontwikkeling van het percentage beroeps-bevolking met alleen lager onderwijs, al eigenlijk alles. In 1960 was het overgrote deel van de beroeps-bevolking laagopgeleid. 60 jaar later was dat nog minder dan een kwart.

Bij de religie zien we ook een grote verschuiving, zoals de bijgaande grafiek laat zien.

Het aandeel dat opgeeft geen religie te hebben, is in 60 jaar gestegen van 18% naar 53%. Het aantal dat zichzelf als christen omschrijft is gedaald van 77% naar 37%.

In 1954 is er in opdracht van de Staatscommissie Grondwetsherziening (1953-1958) een groot onderzoek uitgevoerd door NIPO over het functioneren van het parlementaire stelsel onder een Nederlandse steekproef van bijna 2000 mensen. (Na 5 jaar kwam deze Staatscommissie met het advies om niets te veranderen).

Uit dat rapport van NIPO is o.a. de relatie te zien tussen het stemgedrag uit de verzuilde periode en de demografische kenmerken: geslacht, leeftijd, welstandsniveau en religie.

We zien dan geen grote verschillen in het stemgedrag tussen mannen en vrouwen, en ook niet zulke grote verschillen tussen jongeren en ouderen. Maar bij religie en welstandsniveau zien we ze wel.

Er was toen een zeer sterke samenhang tussen religie en de stemkeuze zoals bijgaande grafiek laat zien.

Vrijwel alle Rooms-Katholieken (bijna 40% van de bevolking) stemden KVP. Gereformeerden stemden massaal ARP. Bij de Nederlands-Hervormden werd de ARP het meest genoemd, maar men stemde ook in behoorlijke mate op andere partijen.

Degenen die aangaven geen religie te hebben stemden massaal PvdA.

 

Naar welstandsklasse zien we een ander patroon. De welstandsklasse werd door de enquêteur bepaald op basis van een aantal criteria.  7% werd als welgesteld aangemerkt en 27% als middenklasse. De overige 66% werden verdeeld over de twee “Volksklassen” (laag opgeleid met een laag inkomen).

De grafiek laat zien dat er bij de confessionele partijen geen al te grote verschillen zijn naar welstandsklasse (omdat de religie de bepalende factor was voor het stemmen), maar bij PvdA en VVD zien we die wel. Onder de laagste Volksklasse haalde de PvdA 40% en onder de Welgestelden 21%. Bij de VVD zijn die percentages resp. 2% en 25%.

 

We zagen al dat sinds de jaren vijftig, het opleidings- (en welstandsniveau) sterk is gestegen en het aandeel christenen sterk is gedaald. Daardoor is dit electorale plaatje nu totaal anders dan 60 jaar geleden.

Vanuit de uitslagen van 4 Provinciale Statenverkiezingen tussen 1962 en 2019 kan goed getoond worden wat er -in samenhang met de demografische ontwikkelingen- electoraal is gebeurd. (Bij Provinciale Statenverkiezingen speelt minder dan bij Tweede Kamerverkiezingen een rol welke partij de grootste wordt en dus de premier kan leveren).

Vanuit de 3 grootste partijen is goed te zien hoe kolossaal de verschuivingen zijn geweest in minder dan 60 jaar.

Als we naar de uitslagen kijken, zien we dat het CDA vrijwel het patroon heeft gevolgd van de deconfessionalisering. Toen in 1962 rond drie kwart van de Nederlanders zich Christelijk noemde haalde het CDA (althans KVP+ARP+CHU bijna 50% van de stemmen). Nu ruim een derde zich nog maar christelijk noemt stemt nog slechts 11% CDA. Het patroon van de PvdA vertoont een duidelijke samenhang met de sterke daling van het aantal laagopgeleiden in de beroepsbevolking. Evenals bij het CDA kent deze partij een zwaartepunt bij de oudere kiezers.

Doordat CDA +PvdA in die bijna 60 jaar gedaald is van 79% naar 20% zien we een sterke toename van zowel het percentage stemmen op overige partijen als ook een sterke toename van het aantal overige partijen dat boven 2% uitkomt. Dat laat deze grafiek zien.

In 2019 waren er inmiddels 10 partijen die gezamenlijk ruim 65% haalden. Waarvan één zelfs de grootste werd!

 

Terwijl via de verschillende grafieken is getoond hoe drastisch de bevolking is veranderd t.a.v. een aantal cruciale demografische kenmerken en daarmee in samenhang ook de verkiezingsuitslagen, zien we dat het politieke stelsel amper is veranderd. De opkomstplicht is 50 jaar geleden afgeschaft en de kiesgerechtigde leeftijd verlaagd naar 18 jaar. De manier waarop het Parlement opereert en een kabinet wordt gevormd is niet veranderd. Als een combinatie van partijen 76 zetels haalde in het parlement, dan kwam die regering er.

Wat ook een belangrijke constante is geweest in al die 60 jaar: in de regering zaten altijd minstens twee van de drie grote partijen van 60 jaar geleden (voor 1977 betreft dat twee van de drie partijen die samen in 1977 het CDA vormden).  Soms werden ze gecompleteerd met andere partijen, zoals D66, om voor een meerderheid te zorgen.  Twee keer werd een nieuwe partij met een relatief hoge score in het kabinet opgenomen (DS70 in 1971 en LPF in 2002), maar die “politieke Fremdkörper” verdwenen toen weer heel snel weer uit de regering. Alleen bij het kabinet Den Uyl in 1973 was er sprake van een wat andere situatie

Het beeld van politiek Den Haag is eigenlijk nog steeds “business as usual”. Maar daarbij wordt enerzijds genegeerd wat zich echt onder het electoraat aan het afspelen is en anderzijds lijkt men ook niet te beseffen dat het steeds moeilijker zal zijn om regeringen te vormen na verkiezingen. Slaagt men er wel in dan levert dat een nieuwe voedingsbodem voor verdere versplintering.

 

Aan de vooravond van de nieuwe jaren twintig

Terwijl religie en welstandsniveau dus lang belangrijke factoren zijn geweest bij de keuze van de partij waarop men stemt, lijkt dat nu in veel mindere mate het geval. Via Peil.nl hebben we sinds 2016 twee vragen geformuleerd, die wel een sterke samenhang vertonen met de stemkeuze. Men komt daarbij niet automatisch uit op één partij, maar vanuit het grote aanbod lijken dan toch maar 2 of 3 partijen voor die kiezers in aanmerking te komen.

Met behulp van die twee vragen is niet alleen inzicht te geven in de relatie met de stemkeuze, maar het biedt ook een verklaring voor de polarisatie binnen onze samenleving en een doorkijkje naar wat de grote uitdaging is bij het volgende millennium.

Die twee vragen zijn:

  • Maakt u zich zorgen over uw financiële toekomst?
  • Hebben de ontwikkelingen in de samenleving van de laatste 10,20 jaar u meer kansen opgeleverd of meer bedreigingen?

Ongeveer 45% van de Nederlanders zeg zich zorg te maken over hun financiële toekomst. 25% geeft aan dat ze meer kansen hebben gekregen en 35% meer bedreigingen (32% ziet meer kansen en de rest vindt dat het in evenwicht is). Als we deze vragen gebruiken om de kiezers in groepen te verdelen zien we grote verschillen in de partijen waarop gestemd wordt.

Bij ieder onderzoek van Peil.nl en bij elke verkiezing zien we dit in de uitslagen.

Dit zien we bij voorbeeld bij de uitslag van de Provinciale Statenverkiezingen van 2019.

Als men zich zorgen maakte over de eigen financiële toekomst en meer bedreigingen zag, dan stemde 59% FVD+PVV+SP+50PLUS en 7% GroenLinks+D66+VVD. Maar als men zich geen zorgen maakte over die financiële toekomst en men zag meer kansen dan stemde 11% de eerste 4 partijen en 57% de laatste drie partijen! We zien haast een spiegelbeeld.

 

Ook op een andere manier is goed te zien hoe de relatie ligt tussen deze twee centrale vragen en de stemkeuze.

 

Kiezers van FVD, PVV, SP en 50PLUS maken zich in (veel) grotere mate zorgen om hun financiële situatie en zien ook in (veel) grotere mate meer bedreigingen dan kansen.

 

Er is een duidelijke samenhang met de opbouw van de kiezers per partij naar opleiding. Hoogopgeleiden maken zich voor 30% zorgen om hun financiële toekomst. Bij de laagopgeleiden is dat percentage 67%.  Onder de hoogopgeleiden ziet 21% meer bedreigingen dan kansen, bij de laagopgeleiden is dat percentage 53%.

Ten aanzien van de twee centrale vragen die hierboven zijn gerapporteerd, hebben we helaas geen onderzoeksmateriaal van vóór 2016. We kunnen alleen maar veronderstellen wat het 40 tot 60 jaar geleden geweest moet zijn.

Zo kan ik me goed voorstellen dat de vraagstelling over “zich zorgen maken over de financiële toekomst” voor alle Nederlanders toen eerder boven de landelijke 45% van nu gelegen moet hebben dan eronder. De vraagstelling met betrekking tot “veranderingen in de samenleving, die meer kansen of bedreigingen opleveren” lijkt toen minder relevant te zijn geweest en wellicht tot meer neutrale antwoorden hebben geleid. De veranderingen gingen toen immers echt aanmerkelijk langzamer dan nu, en veel zaken leken voor de mensen min of meer constant/stabiel.

Maar als we de bovenstaande grafieken beschouwen in het licht van de informatie over de demografische en electorale veranderingen in de afgelopen 60 jaar, dan valt iets heel belangrijks te constateren, dat bepalend is voor de dynamiek die we tegenwoordig kennen t.a.v. versnippering en polarisatie.

Het grote verschil is dat veel van de Nederlanders die zich toen zorgen maakten om hun financiële toekomst, KVP of PvdA stemden en zich vertegenwoordigd voelden door de leiders van die partij. (Drees, Romme en later Den Uyl en Van Agt). Beide partijen waren de echte volkspartijen in de originele betekenis van het woord. Die kiezers hadden blijkbaar het gevoel, dat een niet gering deel van de onzekerheden van hun bestaan op sociaaleconomisch terrein door die leiders van de twee partijen werden opgevangen. Het optuigen van de verzorgingsstaat vond in die periode plaats.

Vanaf de tweede helft van de tachtiger jaren vond op dat punt geleidelijk een soort kanteling plaats. Terwijl aan de ene kant al een tijd de deconfessionalisering plaats vond en het opleidingsniveau omhoogging (met een duidelijke afname van het aantal “arbeiders”), schudde de PvdA haar “ideologische veren” af, werden publieke diensten geprivatiseerd, en vonden er aanpassingen plaats aan de sociale zekerheden. Daarnaast was er een duidelijke toename van de immigratie, waarbij de nieuwe bewoners vooral kwamen te wonen in de oorspronkelijke “arbeidersbuurten”.

Het CDA leek vooral geleidelijk te dalen in lijn met de afname van het aandeel confessionelen (vertraagd als er een populaire premier was, zoals Balkende). Het verval van de PvdA was vooral zichtbaar als het een tijd in de regering had gezeten. Na een regering met de VVD (TK2002) en (TK2017) was dat het meest zichtbaar. In 2002 verloor de PvdA 22 zetels en in 2017 29.

Dat leidt tot de vaststelling: Een groot deel van de kiezers, dat zich zorgen maakt om hun financiële situatie en/of meer bedreigingen dan kansen zien, voelt zich niet meer vertegenwoordigd door politici/partijen, die in de regering zitten!

Kiezers van PVV, FVD, SP en 50PLUS beseffen maar al te goed dat hun partij bij regeringsvorming niet serieus worden overwogen. In veel media worden de partijen -in ieder geval de eerste twee- als populistisch weggezet. Veel van de standpunten van die partijen worden op zijn zachtst gezegd “niet serieus” genomen.

En dat is nu precies de motor van de tweedeling waar ik het al lang over heb. De twee grote bubbels, die we in de samenleving kunnen herkennen. Ik heb ze vergeleken met de polarisatie tussen “Ajaxsupporters” en “Feyenoordsupporters”.  Zij zien dezelfde wedstrijd, maar vrijwel iedere belangrijke gebeurtenis van die wedstrijd ondergaan- en beoordelen ze verschillend. Er ontbreekt respect voor elkaars standpunten en men beseft niet, dat de eigen beoordeling van de situatie door net zo een zeer gekleurde bril plaats vindt als bij de andere groep.

Het is die polarisatie, waarvan ik in mijn peilingen vaststel, dat die zich in steeds duidelijkere vorm voordoet. Kiezers van FVD, PVV, SP en 50PLUS hebben vaak standpunten die sterk verschillen van die van kiezers van CDA, VVD, D66 en GroenLinks.  Of het nu gaat om de immigratie-/integratieproblematiek, klimaat/stikstof, of Europa, de verschillen zijn groot. (Per onderwerp is de groepering van partijen wel iets anders, maar vaak zien we uitslagen, die diametraal tegenover elkaar staan).

Ook als je naar de ontwikkelingen kijkt in andere landen met een min of meer vergelijkbaar systeem in Nederland zie je dat het systeem kraakt en piept en in slow motion langzaam in elkaar zakt. Regeringen zijn moeilijker te vormen. Bepaalde groepen in de samenleving voelen zich steeds minder door hun regering vertegenwoordigd. Voor de aanpak van grote maatschappelijke problemen is weinig draagvlak.

Dat ligt aan hetzelfde proces, dat hierboven is beschreven; de veranderende samenstelling van de bevolking en de revolutionaire veranderingen die de massale uitrol van internet tot gevolg heeft gehad. Dit motto, die ik al vroeg van mijn vader hoorde, verklaart wat het effect van het laatste is: “Als er veel verandert ontstaan er veel kansen. Maar als je die kansen niet ziet, blijven er alleen bedreigingen over”.

Zoals hiervoor al is aangegeven: meer dan de helft van de laagopgeleiden geven aan dat ze meer bedreigingen zien dan kansen, bij de hoogopgeleiden is dat ongeveer een vijfde.  Deze verschillen lopen nog meer uiteen als ook de factor “maak me zorgen over mijn financiële situatie” in aanmerking wordt genomen.

Met een andere manier van regeringsvorming kan een groot deel van deze problematiek overbrugd worden.

Klik hier om die aanpak te lezen.

3 antwoorden
  1. Gerda
    Gerda zegt:

    Beste Maurice.

    Het valt me op dat de oorspronkelijke statistiek is verdwenen van jou site.
    En plotseling “vergis” je je in de cijfers.
    Wellicht op de vingers getikt door het RIVM?
    Zo ontzettend jammer dat iedereen zich laat intimideren, waardoor we met zijn allen naar de verdoemenis gaan.
    Groot respect heb ik voor Jensen, die nog steeds de waarheid durft te vertellen.
    Ondanks dat hij door alle media slecht neer wordt gezet.
    Daar zou je een voorbeeld aan kunnen nemen.
    Heel érg jammer.

    Beantwoorden
  2. Freddie
    Freddie zegt:

    Hallo Maurice,
    Dank voor je heldere analyses. Lijken me de logische verklaringen.
    Natuurlijk kunnen Rutte en Van Dissel(RIVM) geen andere boodschap meer verkondigen dan dat ze doen. Dat is politieke zelfmoord!
    Uiteindelijk komt de waarheid wel boven water natuurlijk, maar volgens de peilingen vaart Rutte er nog wel bij. Zijn Spin Doctor lacht in zijn vuistje wrsclk.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *