De foute prognoses bij UK2015

Bij de uitslagen van de verkiezingen op 7 mei jl. in de UK bleek dat de alle prognoses t.a.v. de twee grootste partijen fors miszaten.  Er was geen nek-aan-nek strijd, de Conservatieven hebben 6% meer stemmen gekregen dan Labour (36 t.ov. 30%) in plaats van de ongeveer 33% die voor beide werd voorspeld.

Dit lijkt sterk op de situatie in 1992 in de UK (uitslag 42% tegen 34%, terwijl beide rond de 38% werden voorspeld)  en 1986 in Nederland. Terwijl ik in 1986 op de zaterdag voor de verkiezingen aangaf dat de PvdA duidelijk groter zou worden dan het CDA, werd het CDA onder Lubbers 2 zetels groter dan de PvdA en kon het CDA met de VVD doorregeren (hetgeen ook niet uit de prognose was gebleken).

Een prognose wordt pas echt als fout ervaren als de uitkomst qua impact verschilt van de prognose. Dus als een andere partij de grootste wordt, of een bepaalde partij wel kan regeren, terwijl dat uit de prognose niet zou blijken.

Een “misser” van de impact van 1986 is in Nederland niet meer voorgekomen, maar het is niet zo dat bij iedere verkiezing het verschil tussen de uitslag per partij en de prognose nihil was.

Hieronder de uitslag van de 2 grootste partijen van de laatste 4 Tweede Kamerverkiezingen in Nederland en mijn laatste peiling bij die verkiezingen via Peil.nl:

.                     2003                     2006                                      2010                      2012

.              Peiling  Uitslag    Peiling  Uitslag                    Peiling  Uitslag      Peiling  Uitslag

CDA             42       44                42        41             VVD        34        31               36        41

PvdA            44       42                38        33            PvdA       30        30              36        38

 

De trend van alle vier de peilingen was behoorlijk juist (drie keer nek-aan-nek), het verschil in percentages liep op tot 5 zetels (3%)  bij PvdA in 2006 en bij VVD in 2012.

Maar als bij voorbeeld in 2006 de PvdA 5 zetels hoger geeindigd zou zijn in plaats van lager en het CDA 5 zetels lager dan zou er ook sprake geweest zijn van een slechte prognose. Omdat de winnaar een andere zou zijn geworden.

Als in de UK het ene bureau wel ongeveer de uitslag had voorspeld en het andere niet dan zou dat toegeschreven kunnen worden aan de slechtere kwaliteit van het onderzoek van de laatste groep. Maar omdat alle bureaus het fout hadden lijkt het meest waarschijnlijk dat er bij alle bureaus ongeveer hetzelfde is gebeurd: het aandeel kiezers dat uiteindelijk Conservatief heeft gestemd is onderschat en Labour-kiezers zijn overschat.

Ik heb een sterk vermoeden waardoor dat gekomen is, en het lijkt op iets wat ik bij de peilingen in Nederland ook tegen kom: en het hangt samen met het feit dat bij alle verkiezingen de opkomst van de kiezers –een stuk- lager is dan ondervraagden aangeven bij de peiling.

Als er bij een peiling wordt gevraagd of iemand gaat stemmen bij de aanstaande verkiezingen en op welke partij men gaat stemmen dan zegt in Nederland bij Tweede Kamerverkiezingen doorgaans rond de 85% dat ze gaan stemmen (terwijl in werkelijkheid de opkomst inmiddels in Nederland dan tussen de 70 en 75% is.  Bij Statenverkiezingen geeft zo’n 70  a 75% aan te gaan stemmen (en de opkomst was de laatste keer 48%) en bij verkiezingen voor het Europees Parlement geeft 60 a 70% op te stemmen en de opkomst is onder de 40%. In de UK was de opkomst afgelopen donderdag 66%.

Nu kan dit voor een deel verklaard worden dat mensen die niet gaan stemmen, waarschijnlijk wat minder aan opinieonderzoeken meedoen dan mensen die wel gaan stemmen.  Maar de belangrijkste oorzaak is dat een deel van de mensen die niet op zijn gekomen, vooraf  WEL hadden aangegeven te zullen gaan stemmen. En dat gebeurt meer als het minder belangrijke verkiezingen zijn.

Bij onderzoek na de verkiezingen valt dan trouwens op dat degenen die vooraf aangaven wel te gaan stemmen, maar op de vraag “welke partij”  het antwoord “weet ik nog niet”, vaker niet gingen stemmen dan de overige ondervraagden die wel bij de peiling een partij noemden.

Maar er is ook duidelijk een verschil te zien tussen stemintentie en werkelijk gestemd hebben bij de voorgenomen kiezers van de verschillende partijen. In Nederland zien we dat vrijwel alle mensen die vooraf zeggen SGP te zullen gaan stemmen, inderdaad dat gaan doen. Maar bij de PVV is dat bij voorbeeld bij de Statenverkiezingen veel minder het geval geweest.

Daarnaast zien we ook dat kiezers met een lagere opleiding en/of lager inkomen over de hele linie vaker niet opkomen, ook als ze het wel vooraf gezegd hebben, dan degenen die een hogere opleiding of hoger inkomen hebben.

En daar komen een aantal componenten voor de verklaring van het verschil bij elkaar: Als bij voorbeeld van de mensen die vooraf hadden aangegeven de Tories  te zullen gaan stemmen afgelopen donderdag 90% is opgekomen en van degenen die hadden aangegeven Labour te stemmen 75% is opgekomen, dan is dat al de verklaring voor het verschil van 6% bij de uitslag.

Want het zal echt niet zo zijn gegaan dat op het laatst ineens een deel van de potentiele Labourstemmers naar de Conservatieven zijn overgelopen, terwijl ze dat vooraf in de peiling niet hadden aangegeven.

Het is blijkbaar het verschil in de motivatie om naar het stembureau te gaan tussen de kiezers van de Conservatieven en Labour geweest die dit verschil tussen prognose en uitslag heeft gegeven.

Daarbij is er nog een component die interessant is om op te merken en die we ook met regelmaat bij de Nederlandse uitslag zien. Bij een geprognotiseerde nek-aan-nek strijd tussen links en rechts (zowel in Engeland als in Nederland) zie je vrijwel steeds rechts winnen en links verliezen. In Nederland heeft nu al 4 keer de PvdA het (net) niet gehaald om de grootste te worden. Ik beschreef dat proces in dit blog.   Dat is bij een nek-aan-nek strijd wel in 1994 gebeurd met Kok (maar toen verloor het CDA meer zetels -20-  dan de PvdA -12).  En in 1977 met Den Uyl, die als zittende premier alle linkse kleine partijen leeg zoog, terwijl het net opgerichte CDA, daar vlak achter eindigde en de opkomst bijna 90% was..

Het kan zijn dat dit komt doordat de linkse kiezers meer uit laag opgeleiden en lage inkomens bestaan (en dus altijd wat minder goed uiteindelijk opkomen), maar het zou ook kunnen liggen aan het feit dat de hekel die rechtse kiezers aan links hebben groter is dan andersom.  En dat daardoor rechtse kiezers meer opkomen om de winst van links te verhinderen dan andersom als er sprake is van een geprognotiseerde nek-aan-nek strijd.  Zeker als het gaat om een zittende premier van rechtse signatuur, zoals in Nederland in 2003, 2006 en 2012 het geval was. In 2010 was de zittende premier Balkenende weinig populair en ging het om Rutte en Bos en toen eindigden ze vrijwel gelijk (31 en 30 zetels).

Dit lijkt me een betere verklaring dan dat kiezers tijdens polls niet graag zeggen dat ze conservatief stemmen. Want dan zou dat iets zijn wat altijd zo is geweest en dan hadden de peilingen daar op ook kunnen worden gecorrigeerd.

Misschien heeft die commissie in de UK die de fout van de peilers gaat onderzoeken iets aan mijn mening hierover?

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie