Wilt u ons werk financieel ondersteunen? Doe een kleine donatie en klik hier

De laatste updates in uw mail!

U hoeft niets te missen. leder weekend krijgt u de hoogtepunten van Maurice van afgelopen week in uw mail. Met opmerkelijke artikelen, meer achtergrond en toelichtingen.

Home » Onderzoek » EP – 4 juni 2009

EP – 4 juni 2009

Samenvatting van het artikel

De lage opkomst bij de verkiezingen voor het Europees Parlement maken voorspellingen moeilijk. Op basis van het onderzoek10 dagen voor de verkiezingen is wel een indruk te geven van wat er op ons afkomt en wat er nog in die laatste dagen kan gebeuren. De uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement in Nederland …

EP – 4 juni 2009 Lees verder »

Lees volledig artikel
Leestijd: 6 minuten

De lage opkomst bij de verkiezingen voor het Europees Parlement maken voorspellingen moeilijk. Op basis van het onderzoek10 dagen voor de verkiezingen is wel een indruk te geven van wat er op ons afkomt en wat er nog in die laatste dagen kan gebeuren.

De uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement in Nederland vergeleken met de Tweede Kamerverkiezingen, wordt veel sterker bepaald door de lage opkomst dan het verschil in insteek tussen deze twee verkiezingen. In  1994 waren bij voorbeeld binnen een maand zowel de Tweede Kamerverkiezingen als die voor het Europees Parlement. Bij de eerste verkiezingen was de opkomst 79% en bij de tweede verkiezingen 35%. Het CDA scoorde bij die Europese Parlementverkiezingen bijna 5% meer en de PvdA 4% minder dan een maand ervoor toen de opkomst meer dan 2 keer zo groot was. In 2004, bij een opkomst van bijna 40%, haalde het CDA bij de Europese Parlementsverkiezingen ook beduidend meer dan in de peilingen van  dat moment en de PvdA minder.

De combinatie ChristenUnie/SGP (een electoraat dat altijd goed opkomt) haalde bij de drie laatste verkiezingen van het Europees Parlement iedere keer circa 3% meer dan in de peilingen voor de Tweede Kamer van dat moment.

Soms zien we bij de Europese Parlementsverkiezingen een specifieke partij, die het door- bijzondere omstandigheden- veel beter of slechter doet dan bij de Tweede Kamerverkiezingen. In 2004 haalde de nieuwe partij “Europa Transparant” van Van Buitenen 7%. En Partij voor de Dieren, die in 2003 nog geen 0.5% had gehaald bij de Tweede Kamerverkiezingen scoorde voor Europa in 2004 3%, bijna 1 zetel.

Opkomst is altijd moeilijk te voorspellen, omdat mensen bij peilingen altijd meer aangeven op te komen dan ze in werkelijkheid doen. Dat geldt zeker voor die verkiezingen waar de opkomst beduidend lager is dan bij de Tweede Kamer verkiezingen. In 1999 was de opkomst voor het Europees Parlement het laagst: 30%. Vijf jaar later bijna 10% meer, een trend die we ook zagen bij de andere verkiezingen sinds 2002 waar de opkomst hoger was dan in de jaren negentig.

Zien we de peilingen van dit moment dan is het -wederom- moeilijk om de opkomst in te schatten. Op dit moment lijkt het erop dat de opkomst van de 40% van 5 jaar geleden niet gehaald zal worden. Veel mensen vinden het Europees Parlement een “ver-van-mijn-bed-show”, nog los van de discussie over de EU zelf.  Wel kan het zo zijn dat bij de nationale Nederlandse politieke discussies de komende 10 dagen zich iets heftigs voordoet, waardoor kiezers een sterkere behoefte hebben zich via de verkiezingen van 4 juni a.s. te uiten, maar dan over de Nederlandse politieke situatie, dan ze nu aangeven.

Bij een opkomst in de buurt van de 35%  zal het verschil in opkomst tussen (potentiële) kiezers van de verschillende partijen  wederom een grote invloed hebben op de uitslag.  CDA,  Groen Links, ChristenUnie/SGP en Partij voor de Dieren zullen daarvan het meest profiteren. PvdA en SP het minst. Het grote vraagteken is de PVV.  Die kiezers van deze partij hebben enerzijds weinig op met het Europees Parlement, maar anderzijds hebben ze wel de behoefte om hun steun voor Wilders/de PVV in Nederland via deze verkiezingen te uiten. Welke van de twee krachten op 4 juni de doorslag geeft is nu nog niet duidelijk.

In ons onderzoek is ook bepaald wat kiezers, die wel opkomen gaan stemmen, in relatie tot hun voorkeur voor hun huidige keuze voor de Tweede Kamerverkiezingen. 82% stemt dan hetzelfde en 18% een andere partij.  De partij die het meest last heeft van dit patroon is D66. Slechts 75% van de “Nederlandse kiezers” van D66 van dit moment geeft aan voor Europa ook D66 te zullen kiezen.  Bij de SP is dat percentage 77%.   De PvdA en Groen Links scoort daarentegen rond de 90%. En het hoogst scoort de PVV met 95%.  Dus als een kiezer die nu bij de peilingen voor de Tweede Kamer zegt PVV te zullen stemmen op 4 juni a.s. opkomt dan zal hij in 95% van de gevallen PVV stemmen.

Op basis van deze twee patronen is aan te geven wat de uitslag op 4 juni kan worden, als de komende 10 dagen weinig verandert. Belangrijk is daarbij echter te beseffen dat bij een verkiezing waar iedere 4% 1 zetel betekent (terwijl dat bij de Tweede Kamerverkiezingen 0.67% is) de restzeteltoewijzing de uitslag vreemd kan beïnvloeden[1]:

–        Het CDA (7 zetels in 2004) zal bij deze verkiezingen wederom duidelijk beter doen dan in de peilingen voor de Tweede Kamer (nu circa 20%).  Gezien het systeem van restzetels dat bij deze verkiezingen zeer voordelig werkt voor de grootste partij lijkt 6 zetels goed haalbaar voor het CDA met een kans op 7.

–        De PvdA (7 zetels in 2004) doet het slecht bij de peilingen voor de landelijke verkiezingen (nu circa 16%). Omdat de PvdA ook last heeft van de lage opkomst lijkt 4 zetels het maximum te zijn, maar het kunnen er ook 3 worden. Omdat een aantal partijen dicht bij elkaar zullen eindigen kan het zijn dat de partij die daar het grootste van wordt wel de restzetel krijgt en de andere partijen niet.

–        De VVD (4 zetels in 2004) doet het slecht bij de landelijke peilingen (rond de 10%). 3 zetels lijkt de meest waarschijnlijke uitslag met een kleine kans op 4 en -bij een hoge opkomst van de PVV-kiezers- zelfs het risico dat het toch maar 2 zetels wordt.

–        De SP (2 zetels in 2004) staat ook ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezingen van 2006 op fors verlies (nu geeft 10% aan deze partij te stemmen). 2 zetels lijkt voor deze partij de meest waarschijnlijke uitkomst, maar het zou zelfs maar 1 zetel kunnen zijn.

–        Groen Links  (2 zetels in 2004) staat nu bij de peilingen op 7%. Deze partij doet het wel goed bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. 2 zetels lijkt zeker haalbaar met een kans op 1 zetel meer.

–        ChristenUnie/SGP (2 zetels in 2004) haalde in 2004 6%. Bij de lagere opkomst dan 2004 en de betere positie van de ChristenUnie in 2006 lijken 2 zetels goed haalbaar.

–        D66  (1 zetel in 2004) doet het met Pechtold heel goed bij de peilingen voor de Tweede Kamerverkiezingen (ruim 10%). Het lijkt er echter niet op dat die kracht ook zo vertaald wordt naar eenzelfde goede uitslag voor de Europese Parlementsverkiezingen. 2 zetels lijkt waarschijnlijker dan 3.

–        De Partij voor de Dieren zal het beter doen dan bij de Tweede Kamerverkiezingen (2%), hoewel de kans klein is dat de kiesdeler, 4%, gehaald wordt.

–        Ten slotte de PVV. Bij de landelijke peilingen scoort deze partij rond de 20%. Als de potentiële PVV-kiezer op 4 juni wel een signaal wil geven aan de Nederlandse politiek zou een score van 18% gehaald kunnen worden (hetgeen minstens 5 zetels betekent). Maar het zou ook kunnen zijn dat ze de inzet -het Europees Parlement- dermate onbelangrijk vinden dat ze relatief weinig opkomen en dan haalt de PVV 3 zetels. De laatste 10 dagen zullen daarvoor bepalend zijn.

In de laatste 10 dagen voor de verkiezingen is dus zeker nog wat te winnen en verliezen voor de verschillende partijen. Het effect daarvan zal dan merkbaar moeten zijn in een duidelijk hogere opkomst dan de maximaal 35% waar het nu op lijkt uit te komen.


[1] Op de volgende manier is dat te illustreren. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement leveren iedere 4% 1 zetel op. Als een partij slechts 3.5% haalt krijgt het geen zetel. Als een partij 7% haalt krijgt het zeker 1 zetel voor de eerste 4%, maar voor de overige 3% niet. Op deze manier worden naar schatting 21 van de 25 zetels toebedeeld. De overige 4 zetels zijn restzetels die volgens een bepaalde formule worden toegekend. Het systeem is dat van de grootste gemene deler.   Stel dat het CDA 20% haalt. Dan krijgt het 5 zetels. En dat Groen Links 7% haalt, dan krijgt het 1 zetel.  Vervolgens wordt bij iedere partij de grootste gemene deler bepaalt. Bij de CDA is die waarde 20% gedeeld door het aantal zetels + 1, en dat is 6. De grootste gemene deler (ggd)  is dan 20/6= 3.33.  Bij Groen Links wordt de waarde bepaald door 7% gedeeld door het aantal zetels +1, en dat is 2. De ggd  is dan 7/2=3.5. Dan krijgt Groen Links die restzetel. Maar als Groen Links geen 7% haalt, maar slechts 6%, dan is de ggd  6/2=3 en dan krijgt het CDA die restzetel. Kortom: de grootste partij of partijen hebben beduidend meer kans om een restzetel te krijgen als een kleine partij. Een kleine partij moet dus qua percentage dicht bij de volgende zetel liggen (dus minstens 3% “over hebben”), want anders krijgt de grote partij de restzetel.  Stel dat het CDA 22% haalt en Groen Links 6% dan heeft het CDA meer kans op 2 restzetels dan Groen Links de kans heeft op 1 restzetel.  Dit systeem werkt ook zo bij de Tweede Kamerverkiezingen, maar daar is percentueel gezien het aantal restzetels veel kleiner: 6 van de 150, in plaats van bij het Europees Parlement 4 van de 25.

Deel dit artikel: Twitter Facebook Linkedin WhatsApp
REACTIES
Reageer hier, maar met respect.

We verwelkomen respectvolle en relevante opmerkingen. Off-topic commentaren worden verwijderd. Als je illegale dingen doet, zullen we het verbieden.

BEKIJK OOK
 

Bekijk het MDH Corona Journaal

Het laatste nieuws omtrent corona!

Bekijk het MDH Corona Journaal

Bekijk het laatste nieuws
omtrent corona!