Wilt u ons werk financieel ondersteunen? Doe een kleine donatie en klik hier

De laatste updates in uw mail!

U hoeft niets te missen. leder weekend krijgt u de hoogtepunten van Maurice van afgelopen week in uw mail. Met opmerkelijke artikelen, meer achtergrond en toelichtingen.

Home » COVID-19 » 18 Vragen die vandaag gesteld moeten worden

18 Vragen die vandaag gesteld moeten worden

Samenvatting van het artikel

De weekrapportage op dinsdagmiddag van het RIVM, maar ook andere presentaties van mensen als Ernst Kuipers, worden 1 op 1 overgenomen door de media. Als ik met journalisten spreek of met presentatoren, dan hoor ik terug dat zij zelf niet de kennis hebben om indringende vragen te stellen. Vandaar dat ik vandaag 18 essentiële vragen onder elkaar heb gezet. Gratis te gebruiken voor de media.

Lees volledig artikel
Leestijd: 9 minuten

Bij de weekrapportage op dinsdagmiddag dicteert het RIVM de wijze waarop er tegen de ontwikkelingen rondom Covid-19 aangekeken wordt. Week na week. De toelichting van Aura Timen wordt één-op-één doorgegeven in de media. Dat is ook het geval als Ernst Kuipers zijn persconferentie geeft op maandagmiddag. Goede vragen worden er amper gesteld. Dat komt vooral omdat de grafieken en cijfers, die worden gepresenteerd gebaseerd op het RIVM-model, moeilijk te doorgronden zijn.

De besluitvorming van de regering vindt plaats op basis van de presentaties van Van Dissel aan het kabinet. Als je vervolgens de besluitvorming ziet en de toelichting van de ministers of de burgemeesters hoort, dan heb je ook niet de indruk, dat ze enig tegenwicht kunnen/willen bieden aan wat men op zich af krijgt aan informatie.

Toch zijn er vele vragen te stellen over hoe het model werkt,  hoe men dat interpreteert, welke keuzes men maakt en in welke mate het RIVM de informatievoorziening gebruikt om de besluitvorming te sturen.

Daarom volgt hier een serie vragen, waarvan het heel belangrijk is, dat ze aan RIVM/OMT-leden, de regering en de burgemeesters gesteld worden. Ik hoop dat u zelf één of meer vragen, die u belangrijk vindt wilt doorsturen aan de media, waar u op geabonneerd ben of gebruik van maakt. En aan de volksvertegenwoordigers van uw partij en/of anderen die van belang zijn bij de besluitvorming in Nederland.

Algemene vragen naar aanleiding van het model

Een cruciale rol bij het Covid-19 beleid in Nederland speelt het RIVM-model. Daarover worden zelden vragen gesteld. Daarom volgen hier een aantal essentiële vragen:

  1. Bij de presentatie voor het Catshuis van 8 februari staat dat het nog te vroeg is om de werking van de avondklok te evalueren (de meest recente reproductiefactor is van 22 januari, de avondklok ging een dag later in). Hoe kunt u dan volgende week de werking van de avondklok wél evalueren? Want hoe haalt u bijvoorbeeld uit elkaar wat de werking is van de afzonderlijke componenten? Wat is het effect van de toename van de Britse mutant en wat is het effect van de avondklok? Is het niet zo dat die afzonderlijke effecten niet in de praktijk kunnen worden vastgesteld, maar gewoon worden gebaseerd op basis van de aannames in het model? Daardoor komt er wellicht altijd uit dat de avondklok werkt. Als de reproductiefactor daalt, dan ligt het mede aan de avondklok. En als de reproductiefactor stijgt, dan is het aan de avondklok te danken dat het niet nog meer is gestegen, want we hebben immers nu de Britse mutant. En als dit niet zo ‘altijd bevestigend’ werkt, hoe doet u het dan wel?
  2. Via het model wordt geprobeerd de ontwikkelingen in Nederland te vangen en te voorspellen. In België zijn de scholen en de niet-essentiële winkels open gebleven. De avondklok begint in Vlaanderen om middernacht. De reproductiefactor loopt daar min of meer gelijk op met Nederland en begin januari werd daar de Britse mutant in dezelfde mate gevonden als in Nederland. Hoe kan met die totaal andere maatregelen de reproductiefactor toch hetzelfde zijn? En waarom zouden met dezelfde maatregelen als in België op dit moment de cijfers zich anders ontwikkelen in Nederland? Dus als de scholen en winkels wel opengaan en de avondklok om middernacht ingaat.
  3. In Zweden lopen de cijfers ook fors terug en is de oversterfte lager geweest dan in Nederland. Maar daar zijn er nóg minder maatregelen dan in België en Nederland. Hoe past het model van het RIVM bij de ontwikkelingen daar? En als dat niet past, wat betekent dat voor de validiteit van het model?

Specifieke vragen over de Britse mutant

Vorige week dinsdag meldde het RIVM dat tussen 26-1 en 2-2 tweederde deel van de besmettingen in die periode de Britse mutant betrof. Bij de Catshuispresentatie van 8 februari staat dat de helft van de besmettingen op 26 januari de Britse mutant betrof. De laatste echt feitelijke vaststelling van het aandeel van de Britse variant via Kiemsurveillance was rond 20 januari. Dat percentage was 24%. In België bleek dat percentage toen 16% zijn. Er wordt bij de Catshuispresentatie gesteld dat de totale reproductiefactor op 22 januari 0,91 was. Die van de Britse variant op 22 januari 1,13 en die van de oude varianten 0,80.

  1.  Hoe groot is de steekproef van de Kiemsurveillance en is het ook echt een steekproef over het hele land? Waarom duurt het zo lang voordat die cijfers bekend zijn, terwijl de impact van de Britse variant blijkbaar de cruciale factor is bij de besluitvorming van de overheid? Is er wel voldoende mogelijkheid om dat onderzoek uit te voeren? En wat heeft u geleerd van het feit dat in Lansingerland bij een groot deel van de genomen monsters het onderzoek naar de Britse variant mislukte en dat onder de inwoners, die opgeroepen waren (waarvan 63% gekomen was), rond 18 januari slechts 5% besmet was met de Britse variant? En hoe verklaart u dat in Twente in de afgelopen week slechts in 11% van de gevallen de Britse variant is vastgesteld, bij grootschalig testen, terwijl u aangeeft dat dit in Nederland toen rond de 67% zou moeten liggen. Doet u dat niet twijfelen over het werkelijke percentage in Nederland?
  2. In de afgelopen weken wordt er aan de reproductiefactor van de Britse variant en aan die van de oude varianten elk een eigen waarde gegeven. (Nu dus 1,13 en 0,80). Hoe worden die waardes feitelijk vastgesteld? Wat doet u anders dan de veronderstellingen van uw model toepassen op de ontwikkelingen van de totale reproductiefactor?  En er dan twee afzonderlijke (volledig parallelle) reproductiefactoren uit destilleren, zoals te zien is in deze grafiek van de presentatie van de 8e? En waarom zeggen mensen als Prof. Kluytmans (bij 1-op-1 van Sven Kockelmann) dat het model zo prima werkt omdat de echte cijfers er zo goed passen, terwijl de cijfers, die naar buiten komen, slechts de cijfers van het model zijn? Als zelfs een OMT-lid zich niet realiseert dat hij een cirkelredenering gebruikt t.a.v. het model, wat betekent dat dan t.a.v. het inzicht in model en data van het OMT-overleg?
  3. Bij de vaststelling van de reproductiefactor van 22 januari wordt, zoals al aangegeven, de reproductiefactor van de oude variant op 0,80 vastgelegd. Toen eind oktober/ begin november de besmettingscijfers sneller daalden dan in januari 2021 – en we dus alleen nog de oude varianten hadden- werd de reproductiefactor op 0,89 vastgelegd, zie deze grafiek uit het rapport van 17 november. Hoe kan het dat in november de reproductiefactor 0,89 was, terwijl hij nu 0,80 is? Dat is toch onmogelijk? Komt dat niet door de kunstmatige wijze waarop nu de reproductiefactor van de Britse variant en die van de oude varianten uit elkaar worden gehaald? En als de reproductiefactor van de oude variant nu 0,89 zou zijn en de totale reproductiefactor is 0,91, dan is de reproductiefactor van de Britse variant toch maar 0,94 volgens uw methode?
  4. Hoe verklaart u dat in Londen, waar de Britse variant al een tijd dominant is, de reproductiefactor al een tijd ruim onder de 1 is?
  5. Ernst Kuipers liet twee keer bij OP1 onderstaande grafiek zien. Waar hij de ontwikkeling van de Britse variant en de oude varianten in kaart bracht en aangaf welke grote effecten het zou hebben op de IC-bezetting. In zijn model neemt de Britse variant het pas begin maart over, terwijl het RIVM stelt dat dit al eind januari gebeurd zou zijn. Bekijken we echter de feitelijke ontwikkeling nu op de IC’s, dan gaat het duidelijk beter dan in deze grafiek is aangegeven (zie de rode bolletjes). Wat betekent dit nu eigenlijk voor de kwaliteit van de aannames van de ontwikkeling van de Britse variant en de kwaliteit van de voorspellingen over de gevolgen voor de zorg?
  6. Is het niet eigenlijk zo dat wat u over de Britse variant naar buiten toe brengt volledig afhankelijk is van de aannames die u heeft gedaan t.a.v. de Britse variant in uw model en u niet alleen niet goed weet wat er gaat gebeuren, maar eigenlijk ook niet goed weet wat er gebeurd is?

En ook nog

En uit het scala van overige vragen selecteerde ik nog de volgende:

  1. Sinds 12 juni wordt de reproductiefactor bepaald vanuit het aantal positief getesten. Maar dat is mede afhankelijk van het aantal mensen dat zich test of mag laten testen (op 1 december werden de criteria verruimd en zagen we binnen 2 weken een stijging van 36% van personen die zich lieten testen). In de week van 25 januari nam het aantal getesten extra af door de publiciteit rondom het GGD-datalek. Daardoor was de daling van het aantal positief getesten extra groot. En wordt de daling van de afgelopen week onderschat.  Zondag werd er helemaal niet getest en deze week zullen ook minder mensen zich laten testen door het weer. Hoe kunt u dan nog de reproductiefactor berekenen? Waarom bent u vanaf oktober niet teruggegaan naar de ziekenhuisopnames als basis voor de reproductiefactor? En hoe gaat u dat probleem de komende weken oplossen?
  2. In Lansingerland bleek van de 500 mensen, die uit het bevolkingsonderzoek positief waren getest met de PCR-test, 69% geen symptomen te hebben. Plus dat bij de helft van de monsters, die men wilde sequencen om te kijken of het de Britse variant betrof, dat sequencen onmogelijk was. Bij navraag blijkt dat het geval te zijn als de CT-waarde hoger dan 32 is, waarbij er dus heel weinig virus gevonden is in de test. (In dat geval is iemand niet meer besmettelijk en is dat hoogstens -veel- eerder wel geweest.) Bewijst dit niet hoe groot de invloed bij PCR-testen van “false positives” is? Dan gaat het dus over mensen met een positieve uitslag, die lang geleden besmet zijn, maar wel als ‘nieuwe besmettingen’ in de cijfers terecht komen. Wat heeft u hiervan geleerd t.a.v. het gebruik en de interpretatie van de PCR-test?
  3. Belangrijke informatie bij het afnemen van PCR-testen is ook of iemand al dan niet symptomen heeft. Wordt dat eigenlijk vastgelegd bij de testen en het BCO-onderzoek? En zo ja, kunnen die cijfers dan niet ook wekelijks gepubliceerd worden? En als die niet vastgelegd worden bij testen of het BCO-onderzoek, waarom gebeurt dat niet. VWS heeft op 10 januari bij het Catshuis beraad in relatie tot de hogere Britse variant een doorberekening gemaakt van drie scenario’s. Het zwartste scenario met een reproductiefactor van 1,6 kwam uit op een waarde van bijna 170.000 positieve gevallen op 4 februari. (In werkelijkheid was dat ongeveer 4000). Wat was de relevantie van het presenteren van een zo onwaarschijnlijk scenario? Mogelijk toch niets anders dan de aanwezige bewindslieden extra bang maken?
  4. Op 8 juni beschreef ik het belang van dataverzameling onder de mensen die zich laten testen. Een uitgebreide vragenlijst over de mogelijke symptomen, de manier waarop men denkt besmet te zijn geraakt en de locatie, plus een aantal kenmerken van de persoon zelf (demografische kenmerken, beroep, locatie van huis en werk). Aan die data wordt dan het testresultaat gekoppeld (positief of negatief). Nadat het geanonimiseerd is, worden het openbare data en kan iedereen daar analyses op uitvoeren en die ter beschikking stellen. Gisteren is (eindelijk) aangekondigd door het RIVM dat dit onderzoek plaats zal gaan vinden.  Het wordt Contest-onderzoek genoemd. Inmiddels zijn er 7 miljoen mensen getest. Bedenk wat een onschatbare waarde aan data we hadden kunnen hebben als dit onderzoek al in de zomer was gestart. (En technisch gezien was dat uitermate eenvoudig te organiseren geweest met behulp van de software die voor online onderzoek beschikbaar is en de knowhow daarover. Zelf maak ik daar ook gebruik van.). Twee vragen: Waarom heeft het dus zo lang geduurd voordat dit onderzoek begonnen is?  En komen de data nu als open source beschikbaar, zodat u gebruik kunt maken van de kennis van anderen dan het RIVM t.a.v. data-analyse? Ik ken een aantal mensen die zo’n ‘onpartijdige’ analyse uitstekend kunnen uitvoeren.
  5. Bij de vragen die hij kreeg over de Elfstedentocht gisteravond, zei Opperburgemeester Bruls meerdere keren dat het beleid “ongeloofwaardig” zou zijn als er voor het evenement van de Elfstedentocht ruimte zou worden gegeven. Ook daarover twee vragen: Is geloofwaardigheid het belangrijkste criterium van het beleid? Hoe erg is het om bij een specifieke, bijzondere situatie wel een uitzondering te maken? Bijvoorbeeld omdat het belangrijk is t.a.v. het welbevinden? Of omdat je op je vingers kunt natellen dat als je dit evenement niet gecontroleerd toestaat, er een vorm van wildgroei aan “onofficiële” evenementen kan gaan ontstaan, met alle gevolgen van dien? En wat is dan bovendien de geloofwaardigheid van het beleid, Burgemeester Bruls, als op 17 maart bij de verkiezingen wel een massa-evenement in Nederland wordt georganiseerd? Een groepsgebeuren dat nog meer mensen op de been zal gaan brengen dan de Elfstedentocht?
  6. Hoeveel risico’s lopen mensen nu eigenlijk als ze buiten gaan schaatsen? Ook als ze binnen 1,5 meter van elkaar komen? En hoe kan het dat men bij het afwegen van de voor- en nadelen van het toerschaatsen men eigenlijk niet goed weet wat het negatieve effect zal zijn qua mogelijke besmettingen en men heel goed weet wat de grote voordelen zijn, o.a. qua welbevinden en mentale volksgezondheid, en het dan toch niet omarmt, maar alleen maar zit te ontmoedigen/beperken?
  7. En -u had het natuurlijk verwacht- in veel meer landen spelen aerosolen, ventilatie, luchtvochtigheid en luchtfiltering een centrale rol bij het beleidsadvies. Bij de open scholen in België wordt dit beleid expliciet toegepast (inclusief CO2-meters).  De openstelling van kappers in België wordt uitdrukkelijk gekoppeld aan een goed beleid inzake schone lucht. Waarom wordt dat vanuit het RIVM/OMT en de Nederlandse regering ook niet als een centraal element gebruikt t.a.v. de maatregelen (zoals bij de scholen)? Is men nu langzamerhand (als bijna het enige land ter wereld) nog niet overtuigd van de centrale rol die de verspreiding van het virus door de lucht speelt?

Laatste vraag

Als ik met journalisten spreek of met presentatoren van talkshows of nieuwsprogramma’s, dan hoor ik terug dat zij zelf niet de kennis hebben om dit soort vragen te stellen en goed op de antwoorden te reageren, omdat de materie complex is. Waarom maken ze dan geen gebruik van mensen, die deze kennis wél hebben in hun uitzendingen?

Want doordat dit ontbreekt, krijgen we slechts het eenzijdige beeld van de situatie en de verwachtingen voor de toekomst zoals die ons door het RIVM worden voorgeschoteld. En ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit beeld vooral geschapen wordt om de Nederlanders zich zo te laten gedragen als het RIVM van hen wil. Terwijl er behoorlijk wat vraagtekens te zetten zijn bij het model van het RIVM: over de input en de output, welke conclusies daaruit getrokken worden en welke maatregelen daarvan het gevolg zijn.

Als u wilt dat wij de vragen blijven stellen die ertoe doen, help ons dan met een kleine donatie.

Deel dit artikel: Twitter Facebook Linkedin WhatsApp
REACTIES
Reageer hier, maar met respect.

We verwelkomen respectvolle en relevante opmerkingen. Off-topic commentaren worden verwijderd. Als je illegale dingen doet, zullen we het verbieden.

  • MEER OVER
BEKIJK OOK