Drie grote uitdagingen voor het Nederlandse Onderwijs

Tot vijf jaar geleden was mijn relatie tot het onderwijs, zoals die van de meeste andere ouders. Aan de ene kant met de ervaringen van de eigen schooltijd jaren geleden. Aan de andere kant als ouder van schoolgaande kinderen.

Vanaf het moment, dat ik in 2012 met een aantal onderwijsdeskundigen, Onderwijs 4 Nieuwe Tijd (O4NT) heb opgericht, bezocht ik veel scholen in binnen- en buitenland. Met veel personen gesproken, die een rol spelen bij of in het onderwijs, zoals schooldirecteuren, leerkrachten, ouders, leerlingen, ambtenaren en politiek verantwoordelijken.

Wat me daarbij sterk opviel was het grote verschil tussen het beeld, dat ik tot 2012 van het vak leerkracht had en datgene wat ik later in de praktijk tegenkwam. Dat leerkrachten met veel  bezieling en toewijding met hun vak bezig zijn, dat besefte ik – ook uit eigen ervaring als leerling – wel. Maar dat het een hele zware baan is (zowel fysiek als mentaal) en steeds zwaarder wordt, realiseerde ik me voor 2012 niet.

Ik ontmoette wereldwijd veel mensen, die vinden dat er binnen het onderwijs ingrijpende veranderingen moeten plaatsvinden, zowel op het terrein van het curriculum als ten aanzien van het schoolmodel.  Maar – en dat is ook overal ter wereld te merken – het tot stand brengen van veranderingen, ook als in de politiek of op ministeries daar wel behoefte aan is, gaat moeizaam.

Ons initiatief heeft in Nederland opvolging gehad en scholen zijn met het door O4NT  ontwikkelde model aan de slag gegaan. Via ons bedrijf sCoolSuite hebben we software ontwikkeld (sCoolTools) om gepersonaliseerd leren op scholen ook echt uitvoerbaar te maken.

Zowel voor ons model als voor de door ons ontwikkelde software is wereldwijd belangstelling. In meer dan 20 landen ben ik inmiddels geweest om op hierover te komen spreken en we hebben bezoekers gekregen uit meer dan 40 landen.

Om vernieuwingsprocessen op scholen door te voeren is niet eenvoudig. Ik heb veel respect voor scholen en leerkrachten, die toch al veel op hun bordje hebben, dat ze dat soort trajecten ingaan. Dat geldt dus ook voor de meer dan 30 scholen in Nederland, die op de één of andere manier met de door ons ontwikkelde aanpak aan de slag zijn gegaan.

Ik heb met regelmaat diverse van deze scholen bezocht en ben dan onder de indruk van wat er gebeurt. De inzet van de leerkrachten, het enthousiasme van leerlingen en ouders. Dit is een interview met de directeur van een van die scholen.

 

Helaas heb ik moeten vaststellen dat in de laatste 9 maanden met regelmaat negatieve publiciteit is geweest rondom onderwijsactiviteiten waar ik in Nederland bij betrokken was. Wat niet goed ging werd sterk uitvergroot. Bepaalde zaken werden uit zijn verband getrokken.  Koppen, die de tekst eigenlijk niet dekten, versterkten de negatieve impact.

Het gevolg was onder meer, dat op die scholen die samen met onze organisatie hard bezig waren en zijn om het vernieuwingsproces tot een succes te brengen, deze publiciteit een negatieve weerslag had.

Ik ben daarom tot de slotsom gekomen, dat daardoor, mijn directe betrokkenheid in Nederland bij onderwijsvernieuwing, inmiddels eerder een negatief effect heeft dan een positief effect. Ik zal daarom per heden binnen onze organisatie me alleen nog bezig houden met onze buitenlandse activiteiten.

Dat houdt ook in, dat ik me in de media niet verder zal uitlaten over het Nederlandse onderwijs.

 

Bij dit “afscheid” wil ik als afsluiting, op basis wat ik in de afgelopen vijf jaar ben tegengekomen, drie grote uitdagingen beschrijven, die er binnen het Nederlandse onderwijs zijn (evenals in vrijwel alle andere landen). Niet om daarbij met een vinger te wijzen naar schuldigen. Want die zijn er niet echt. Maar wel om, juist in belang van degenen die direct of indirect met het onderwijs te maken hebben, te helpen bij een breed bewustwordingsproces ook buiten het onderwijs, zodat er gewerkt kan worden aan oplossingen/verbeteringen.

 

  1. Vermindering van de voortdurende taakverzwaring van degenen, die werkzaam zijn in het onderwijs.

Door de acties van de leerkrachten in het basisonderwijs lijkt dit onderwerp nu wat breder geagendeerd te worden. Maar wat er in de publiciteit komt als problematiek, is maar een topje van een ijsberg. Want wat ik op basisscholen in Nederland zie, is een groep gemotiveerde beroepsbeoefenaars, die het door een combinatie van factoren steeds zwaarder krijgt. Een soort “perfect storm”, die dreigt grote schade aan te richten.

Er is sprake van een toenemend tekort van leerkrachten (een grotere uitstroom dan instroom). Dat heeft o.a. als gevolg dat bij ziekteverzuim (die rond 7% ligt) het moeilijk is om -goede- vervanging te krijgen. Dat betekent een verzwaring van het werk van degenen, die niet ziek zijn.

De leerlingenpopulatie is op een aantal punten gestaag aan het veranderen. Door diverse ontwikkelingen in de samenleving (technologie, globalisering, immigratie) is de groep leerlingen veel heterogener dan vroeger. Hun ervaringswerelden verschillen onderlingen fors, maar ook hun bronnen van informatie en kennis, die ze buiten school tegen komen. Daarbij is de mondigheid van leerlingen toegenomen en vraagt het veel tijd en energie van leerkrachten om rust en veiligheid in de klas te brengen/houden.

De nieuwe aanpak van passend onderwijs, zoals die in augustus 2014 is ingevoerd, leidt tot een verdere taakverzwaring voor veel leerkrachten. Het is een goed voorbeeld van een aanpak, waarvan je begrijpt waarom men het heeft willen invoeren, maar waarvan de consequenties voor de dagelijkse praktijk van de leerkrachten groot kunnen zijn.

Het verminderen van niet-onderwijzend personeel  en onderwijsassistenten op scholen, heeft ook tot gevolg gehad, dat er nogal wat niet-educatieve taken nu voornamelijk door leerkrachten zelf moeten worden ingevuld. Ook dat is taakverzwarend. Zeker als er sprake is van een toenemend tekort aan bevoegde leerkrachten, zou het juist aanbeveling verdienen om meer personeel aan te nemen, dat zich kan bezig houden met ondersteunende taken. Op die manier kunnen de leerkrachten zich op dat deel van het werk richten waarvoor ze zijn opgeleid en ze onderscheid van anderen.

De verbetering van de economie, waardoor er meer vacatures buiten het onderwijs zijn, waardoor de uitstroom groter wordt en de instroom kleiner.

Deze stapeling van taakverzwarende elementen hebben niet alleen de hoge burnout-rate binnen het onderwijs tot gevolg, maar limiteren ook de mogelijkheden van de leerkrachten aan de verbetering van de kwaliteit van hun onderwijs te werken.

Dit is niet louter op te lossen via hogere salarissen en kleinere klassen (en als je toch al een tekort aan leerkrachten hebt, is het uberhaupt moeilijk om kleinere klassen te realiseren). Het vraagt om een veelomvattend plan om zo de leerkrachten de kans te geven zich met name bezig te houden met de kern van hun opdracht.

 

  1. Het curriculum past niet meer goed bij de wereld, waar de leerlingen in terecht komen.

Vanzelfsprekend zijn er anno 2017 bepaalde vaardigheden en bepaalde kennis nog net zo belangrijk als 50 jaar geleden. Maar, zeker gezien de ingrijpende veranderingen, die met name dankzij computers, internet en mobiele devices in de afgelopen 20 jaar zich hebben voltrokken, zou je mogen verwachten dat het curriculum voor PO en VO-scholen, een duidelijke vernieuwingsslag hebben doorgemaakt. Maar dat is niet het geval.

De achterliggende reden wordt het best geïllustreerd met wat je met regelmaat hoort vanuit de politiek of in de media t.a.v. het onderwijs. Vaak lees of hoor je, dat meer tijd besteed worden aan bepaalde vakken. Er moet meer aandacht besteed worden aan een onderwerp, waar in de samenleving op dat moment ophef over is. Wat je echter zelden of nooit hoort, is wat er dan op school minder gedaan kan worden!

Je hebt immers maar een bepaald aantal uren per jaar op school tot je beschikking. Dus als er wat bij zou moeten komen, dan moet er ook wat af. En als er discussies ontstaan over bepaalde onderwerpen of vakken, die anders of minder zouden kunnen, dan merk je vaak een overdaad van argumenten waarom datgene wat tot dan gedaan werd (nog steeds) zo belangrijk is, zodat daar vrijwel geen leertijd vrijvalt ten behoeve van iets nieuws.

Vergelijk je het curriculum in het VO- en PO onderwijs van 2017 met die van 20 jaar geleden, dan zie je dat, ondanks de grote veranderingen in de samenleving, en sterke accent-verschuiving in benodigde kennis en vaardigheden in het bedrijfsleven, er weinig is veranderd. Dat komt zowel door het feit dat dat we niet kunnen/willen beslissen wat we minder als de verschillen van mening tussen allerlei groepen over wat er bij zou moeten komen.

Het gevolg is echter dat de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt op z’n minst problematisch is en de kans is groot dat dit in de nabije toekomst het probleem nog groter wordt. Dat is ook uit de volgende cijfers te halen van een onderzoek dat via Peil.nl in mei jl. is uitgevoerd.

Van de Nederlanders boven de 45 jaar geeft 45% aan dat zij de schooltijd in het VO-onderwijs een goede voorbereiding vond voor hun latere werk. Onder de Nederlanders tussen 25 en 45 jaar is dat percentage 14% lager!

Daarbij zien we dat als we de resultaten naar het type gevolgd onderwijs bekijken, dan zien we over vrijwel de gehele linie, dat bij de jongere groep men minder aansluiting ervaart dan de oudere generatie. Bij leerlingen van het gymnasium/atheneum/HBS van boven de 45 jaar vond 57% de het VO-onderwijs een goede voorbereiding en bij de groep tussen de 25 en 45 jaar is dat 47%. Onder de leerlingen van het VMBO, MBO, MULO en MTS die nu boven de 45 jaar zijn is dat percentage 44%, bij die tussen de 25 en 45 jaar is dat percentage nog maar 24%. Van die laatste groep geeft 65% trouwens aan, dat ze liever een andere opleiding hadden genoten dan die ze gevolgd hebben tussen hun 13e en 18e jaar. Dit zijn cijfers die ook de urgentie van een ingrijpende herziening van het curriculum benadrukken.

 

  1. Moeilijk kunnen inspelen op de ontwikkelingen op het vlak van ICT

Het is ongekend in de menselijke geschiedenis, hoe snel en massaal in de afgelopen 20 jaar mobiele devices en internet zich hebben verspreid. Welk sterk effect dat heeft gehad op ons werk en dagelijks leven. Bij een groot aantal banen speelt ICT inmiddels een cruciale rol. Bepaalde beroepen zijn verdwenen of nemen in aantal beroepsbeoefenaars sterk af. Andere beroepen zijn er ontstaan en winnen snel aan belang.

Maar ook in onze rol als consument en ook bij onze communicatie en sociale contacten, zien we ingrijpende veranderingen onder invloed van die technologische ontwikkelingen.

Verwacht wordt dat ook in de komende 10 à 20 jaar ingrijpende veranderingen zullen gaan voltrekken (met name door wat er op het terrein van Artificial Intelligence gebeurt).

Het overgrote deel van de scholieren is buiten school al zeer actief met een breed scala van digitale devices en programma’s en apps. Zij hebben daarbij vaardigheden en kennis, die doorgaans groter is dan die van de leerkrachten.

Daarbij gaat het niet om ICT en devices als een doel op zichzelf, maar als middel. (Zoals dat ook het geval is bij de meeste beroepen en bij ons dagelijks leven, waar we de technologie gebruiken als hulpmiddel).

Nu besef ik dat juist door de grote en snelle veranderingen op technologisch vlak, het voor het onderwijs moeilijk is om dat bij te houden. Enerzijds neemt door die veranderingen wel de discrepantie tussen wat er buiten school gebeurt en op school verder toe. Anderzijds dreigt de relevantie van het onderwijs voor de leerling te verminderen als zo een belangrijke component van het leven en werken op school niet op de juiste manier wordt geadresseerd.

Voor een deel betreft het dus ook de opbouw van het curriculum, zoals hiervoor al is beschreven. Maar voor een ander deel gaat het om ervaring opdoen bij het hanteren van het moderne instrumentarium  bij de diverse facetten van leren, werken en leven.

Het is een zeer belangrijke uitdaging voor het hele onderwijs, op welk niveau dan ook. Daarbij kunnen en mogen we ons niet neerleggen bij het feit dat de veranderingen snel gaan en het vrijwel onmogelijk is voor het onderwijs om dat bij te houden. Het zou ook de uitdaging moeten zijn van de hele samenleving (ouders en bedrijfsleven) om daar een adequate oplossing voor te vinden.

 

Zoals al aangegeven: ik beschrijf deze uitdagingen niet vanuit een beschuldigende insteek. Er wordt binnen het onderwijs al keihard gewerkt en elke nieuwe uitdaging zorgt voor extra belasting. Maar ik denk dat als we als totale samenleving deze uitdagingen niet krachtig tegemoet treden het verdere negatieve gevolgen zal hebben voor zowel leerkrachten als leerlingen. Ze dienen dus geadresseerd te worden in het belang van alle betrokkenen in het Nederlandse onderwijs en onze hele samenleving.

Ik zal, met de reden zoals ik die aan het begin heb uitgelegd, me niet meer actief met het onderwijs in Nederland bemoeien, noch in de media uiten over het onderwijs in Nederland. Ik hoop dat in de komende jaren duidelijke vooruitgang wordt geboekt bij de uitdagingen die ik heb beschreven.

Ik wens langs deze weg allen die actief zijn voor en binnen het onderwijs in Nederland oprecht veel succes bij datgene wat ons allen bindt: de jeugd optimaal voor te bereiden op hun toekomst en ze daarbij het maximale te laten halen uit hun potentieel.

0 reacties

Laat een reactie achter

Discussieer mee.
Gebruik onderstaand formulier om een reactie achter te laten.

Geef een reactie