Het Kohnstamm Instituut onwaardig

Vorige maand  kwam via een publicatie in Metro in het nieuws dat het Kohnstamm Instituut bij een onderzoek had geconstateerd dat het werken met tablets geen verhoging van de motivatie van leerlingen tot gevolg heeft. Omdat het onderwerp me interesseert en ik in de praktijk op onze scholen het tegendeel waarneem, heb ik het persbericht bekeken en het onderzoeksrapport bestudeerd:  “Gebruik van tablets in School”.  En ik ben zeer geschrokken van de kwaliteit van het kwantitatieve onderzoek. Enerzijds was de opzet van het onderzoek dusdanig dat je eigenlijk nooit de conclusie kon gaan trekken waarvoor het onderzoek was uitgevoerd. Anderzijds, als je dan desondanks een conclusie zou willen trekken, dan was het in ieder geval niet de conclusie die in het rapport stond.

Beide punten zal ik hieronder toelichten

1. Als je een kwantitatief onderzoek doet dan moet je wel een opzet kiezen, waarmee je de onderzoeksvraag goed kan beantwoorden. En dat is bij dit onderzoek (zoals het in hoofdstuk 4 is gerapporteerd) niet het geval.

De onderzoeksvraag was of er sprake van is dat het werken met een tablet leidt tot hogere motivatie bij de leerlingen. Het beste is dan om meerdere momenten te meten. De startsituatie zonder een tablet en daarna de situatie na een bepaalde periode, vergeleken met een controlegroep.

En als dat niet kan dan is het alternatief dat je leerlingen onderzoekt op het punt “motivatie” die met tablets werken, vergeleken met leerlingen die daar qua leeftijd en niveau op lijken zonder een tablet. Dat is gebeurd voor 4 verschillende “apps”.  Maar wel steeds met maar 1 klas  waar de app werd gebruikt. En dat houdt in dat een belangrijke variabele die ook zijn invloed op de motivatie kan hebben, namelijk de leerkracht,  de oorzaak zou kunnen zijn voor verschillen in motivatie die je vindt.  Dat had je kunnen vermijden door diverse klassen te hebben met verschillende leraren. Maar als je dat om welke reden niet beschikbaar hebt, dan is het een kwestie van “jammer, maar helaas”, want anders loop je het gevaar de factor “leerkacht”  te meten in plaats van de factor “tablet”.

En als je toch een dergelijk onderzoek toch gaat uitvoeren om er zelf van te leren dan vind ik dat ook verder prima, maar ga dan niet met een persbericht naar buiten over de bevindingen.

 

2. Maar het wordt eigenlijk nog interessanter als naar de resultaten van het kwantitatief onderzoek onder de 4 apps wordt gekeken, alsmede naar de interpretatie ervan door de onderzoekers.

Het onderzoek naar de twee apps voor de Engelse taal is via een en dezelfde vragenlijst gemaakt die in de bijlage van het rapport te zien is. Die voor de andere twee apps is via hiervan verschillende vragenlijsten gemaakt.  Ik zal inzoomen op de twee Engelse apps, die gemeten zijn.

De resultaten van de tabellen 4.3 en 4.5 uit het onderzoek laten zien dat voor de  beide apps over vrijwel de gehele linie de experimentele groep (dus met tablet) positiever  scoort dan de controle groep.

.                                            Take it Easy                Pearson E-text

.                                          Exp.   Contr.                   Exp.      Contr.

Plezier                             2.88      2.52                    2.57      2.34

Uitdaging                       2.50      2.13                    2.35      2.21

Angst                               3.08      3.04                    3.29      3.03

Bij Take it Easy wordt bij de analyse in het rapport op haast onnavolgbare wijze het wel significante verschil wegverklaard door groepseffecten. En bij Pearson E-Text wordt berekend dat bij de N van resp 24 en 31 leerlingen (in beide gevallen dus slechts een klas) de gevonden verschillen niet significant zijn.

En bij die laatste app staat vervolgens op pagina 27 van het rapport:

 “De experimentele groep scoort op alle drie de schalen hoger dan de controlegroep. De verschillen tussen de twee groepen zijn echter op geen van de schalen significant.

Er kan dus niet geconcludeerd worden dat de experimentele groep meer plezier heeft in Engels, meer uitdaging ervaart bij Engels en minder angstig is voor Engels.

Conclusie

Leerlingen die met de app Pearson werken hebben niet meer plezier in Engels, ervaren niet meer uitdaging en zijn niet minder angstig voor Engels dan leerlingen die niet met de app Pearson werken.”

Dit is de klassieke fout bij onderzoek waar kansberekening wordt gebruikt. Er wordt geen significant verschil gevonden en vervolgens wordt er gezegd dat er dus geen verschillen zijn. (The absence of evidence is not the same as the evidence of absence).

Als de N maar klein genoeg is dan is de kans dat je een significant verschil vindt klein. Net zo goed als wanneer de N heel groot is de kans veel groter wordt dat het een significant verschil is.  (Tegelijkertijd moet je je dan afvragen wat dan de relevantie is van een klein, maar significant verschil.)

Maar wat je dus niet mag zeggen is datgene wat er onder de conclusie als tekst staat weergegeven. Namelijk dat die leerlingen, zowel niet meer plezier hebben, niet meer uitdaging ervaren en niet minder angstig zijn.

In feite is er wel een verschil gevonden (resp. 0.23, 0.14 en 0.26) alleen is die niet significant. (En dat wordt nog in de hand gewerkt door een heel kleine N). Daarbij is de conclusie ook nog zodanig stevig gesteld als ware het zou gelden voor overal waar die app wordt gebruikt, terwijl het maar via onderzoek in één klas is vastgesteld.

To add injury to insult lees ik op blz. 32 bij de conclusies:

“Al met al is er dus weinig evidentie dat de onderhavige apps voor Engels in het basisonderwijs bijdragen aan een sterkere motivatie voor het vak, zoals verondersteld door een substantieel aantal respondenten in de interviewronde.”

Nu is het zo dat de twee Engelse apps getest zijn met dezelfde vragenlijst. En dat bij beide apps, zoals hierboven staat, vooral positieve verschillen worden gevonden. In dat geval zou het zeker toegestaan zijn om ook een statistische analyse te maken over de uitkomsten van de beide apps samen die onderzocht zijn.

Stel dat er niet met 2 apps met 10 apps het onderzoek gedaan was. En dat in alle gevallen er een positief verschil was geweest, maar steeds niet significant. Juist als je goed de kern van het principe van kansberekening en significantie beseft dan wordt de steekproef bekeken alsof het er een is uit een oneindig aantal steekproeven (die dan ook een normaalverdeling oplevert).  10 steekproeven die allemaal een positief verschil laten zien, ook als ze allemaal een relatief kleine N hebben, vormen een sterk bewijs dat er sprake is van een verschil in de populatie.

Ik heb de berekening niet zelf uitgevoerd, maar ik ben ervan overtuig dat als de scores van de twee apps bij elkaar worden genomen voor de drie onderdelen (gemiddeldes, standaarddeviatie en de N) er wel een overall significantie uitgekomen zou zijn. Wellicht niet voor de dimensie angst, maar wel voor plezier en uitdaging.

Een conclusie als “al met al is dus weinig evidentie…..” over de twee Engelse apps  zoals op pagina 32 is dus onjuist.  Er is juist veel evidentie.

En deze samentrekking van de twee apps is zeker relevant omdat bij de conclusies op pagina 32 ook de beide apps samen worden getrokken: “… de apps voor Engels gebruiken….”.

 

Blijkbaar vindt het Kohnstamm Instituut deze conclusie uit het rapport dusdanig belangrijk dat ze het in het persbericht vermeld (en zoals die ook is overgenomen door Metro).

Maar als je naar het onderzoek kijkt, zoals ik hierboven heb beschreven dan zien we bij 3 van de 4 apps hogere scores ten aanzien van de motivatie tussen de experimentele en controlegroepen. En ook heb ik laten zien dat bij de twee Engelse apps voor het basisonderwijs als de significantie bepaald wordt aan de hand van de twee apps er wel sprake zal zijn van significante verschillen.

 

Zoals ik al aangegeven heb, vind ik het echt niet bezwaarlijk als er een kwantitatief onderzoek wordt uitgevoerd onder verre van ideale omstandigheden. En het kan ook leerzaam zijn om de resultaten te bekijken en na te gaan welke elementen kunnen hebben geïnterfereerd. Maar dat kwantitatieve onderzoeksdeel hoort dan niet in een beleidsrapport, laat staan dat er zulke conclusies uit getrokken worden dat ze in de kop staan van de melding op de website van het Kohnstamm instituut over dit rapport en ook nog in de media terecht komen.

De enige juiste conclusie was, als men toch iets over het kwantitatieve gedeelte had willen zeggen, dat het onderzoek wel aanwijzingen geeft dat er sprake is van een hogere motivatie onder leerlingen als er met een tablet wordt gewerkt, maar dat de onderzoeksopzet helaas niet voldoende basis biedt om daarover harde conclusies te trekken.

Kortom: een onderzoek en een persbericht het Kohnstamm Instituut onwaardig.

Struisvogels

Mijn beide ouders hebben Auschwitz overleefd. Als ze over de oorlogsperiode vertelden dan waren ze als het ware nog geschokter over het gedrag van Nederlanders in de oorlog dan van de Duitsers.

“De Duitsers kenden we niet van voor de oorlog”  zeiden ze, “maar de Nederlanders wel”.  Politieagenten die mijn vader voor de oorlog persoonlijk kenden, waren Jodenjagers geworden. Zij haalden mijn vader van zijn onderduikadres op waar hij verraden was door buren. Hij werd met Nederlandse trambestuurders naar de trein vervoerd en met Nederlandse machinisten naar Westerbork. Door een Nederlandse rechter werd mijn vader gedurende de oorlog veroordeeld omdat hij Joden illegaal aan voedsel hielp (Een strafblad dat na de oorlog, ondanks pogingen van mijn vader, bleef bestaan). Op 6 maart jl. -100 jaar na zijn geboorte- heb ik zijn oorlogsherinneringen geplaatst.

Mijn les was dat de wereld in de werkelijkheid onder de oppervlakte er anders uit kan zien dan aan de buitenkant blijkt.

In mijn eigen leven heb ik altijd geprobeerd niet te discrimineren. Alle mensen zijn voor mij gelijk. Pas als een individu bewijst dat hij mijn achting of respect niet waard is zal ik mijn houding veranderen. Die houding zorgt er mede voor dat ik als scheidsrechter bij mijn voetbalwedstrijden nooit problemen heb, welke teams ik ook fluit. Omdat ik alle spelers met respect behandel.

Ik vind uitspraken van Wilders zoals met “kopvoddentax”  en wat hij deed op de verkiezingsavond met “minder Marokkanen” verfoeilijk. Hij kan een dergelijk onderwerp ook op een andere manier aan de orde stellen.

Enkele dagen later heb ik een onderzoek gedaan, waaruit bleek dat 72% van de Nederlanders dit een niet-acceptabele uitspraak van hem vond. 20% van de PVV-ers vond dat ook.

Door de jaren heen heb ik onderzoeken uitgevoerd voor vertegenwoordigers van alle partijen van Nederland. Juist gezien mijn positie vind ik dat ik bij partijen vertegenwoordigt in de Tweede Kamer geen selectie mag toepassen, voor wie ik dat onderzoek wel of niet doe.

Mijn verantwoordelijk daarbij is dat de vraagstelling juist is en de verantwoordelijkheid om de uitslagen van dat onderzoek na het uitvoeren om dat te publiceren ligt bij die politieke partij en de media die daar dan wat mee willen doen.

Zo heb ik al meerdere malen ook onderzoeken voor de PVV uitgevoerd over wat Nederlanders vinden.

Vrijdag zijn er een serie vragen gesteld bij een steekproef van meer dan 2500 Nederlanders over de opvattingen van de Nederlanders over een aantal punten direct of indirect verband houdende met die uitspraken van Wilders. Daaruit blijkt o.a. dat de uitspraak over minder Marokkanen door 43% van de Nederlanders gedeeld wordt.

Deze specifieke vraag, na o.a. een vraag over de strafbaarheid van de uitspraak van Wilders,  luidde “wat is uw eigen standpunt ten aanzien van Marokkanen in Nederland”?  43% geeft dan aan “Ik heb liever minder Marokkanen in Nederland”. Onder de PVV kiezers is dat 95%, bij de VVD-kiezers 59%.  Onder de kiezers van andere partijen loopt dit uiteen van 19% bij D66 tot 36% bij de SP.

Dat zoveel mensen geschokt waren door de wijze van optreden van Wilders op de avond van 19 maart jl begrijp ik zeker. Ik was dat ook.  Maar laat men zich niet in slaap sussen door de vele -terecht- verontwaardigde reacties die daarop volgden. Want dit uitgevoerde onderzoek laat zien dat onder de oppervlakte een forse problematiek leeft.

En die gaat niet weg door dat niet zichtbaar te maken via onderzoek. Noch door te stellen dat dit onderzoek schandelijk is.

Ik denk dat mijn ouders liever voor de oorlog al hadden geweten hoe de wereld er werkelijk uitzag.

Back to the Future

De afgelopen 10 dagen voelde ik me als de hoofdpersoon in de film “Back tot he Future”.  Op maandag 19 augustus was ik de hele dag in Sneek, de eerste schooldag voor de 125 leerlingen van de Master Steve JobsSchool.  Een nieuw schoolgebouw werd geopend en de kinderen kregen ook allemaal hun iPad. Om 14.30 uur was er een open huis voor ouders en leerlingen. Het bruiste er van energie en enthousiasme.

Een dag later ging ik naar Amstelveen, voor de eerste dag van mijn 4-jarige dochter op de basisschool.  Evenals haar oudste broer Marc, gaat ze naar een Montessorischool. Hoewel dit niet dezelfde school is als Marc toen naar toe ging, had ik wel het gevoel dat ik terug ging naar 1981, zijn eerste schooldag.  De kleuren van de klas (overwegend bruin), het materiaal, het meubilair, precies als in 1981.  Ook de werkjes waren identiek (en zagen er soms zo sjofel uit alsof ze ook toen waren aangeschaft). En in tegenstelling tot Sneek was er geen ijskastje waar de kinderen hun lunchbox en drankje in konden wegzetten. (Deed me denken aan mijn schooltijd waar ik dankzij de lauwe schoolmelk iedere middag geleerd heb om nooit meer melk te willen drinken).

Een dag later ging ik weer naar Sneek, een mediabijeenkomst waar bijna net zoveel mensen waren van de media als leerlingen op de school. Leuk was om te zien hoe tijdens de persconferentie een tiental leerlingen hun iPad gebruikten om zelf op video de gebeurtenis vast te leggen en er een reportage van te maken. Lees meer

Infogids Master Steve JobsSchool Sneek

Donderdag 23 mei was er een informatieavond voor ouders die wellicht hun kinderen naar de Master-Steve JobsSchool in Sneek willen sturen. Er waren circa 150 aanwezigen, waarvan zelfs ouders die op meer dan 20 minuten afstand wonen.

Het was een prima avond, waar in de ins en outs van deze school werd uitgelegd, o.a. door een aantal enthousiaste leerkrachten die op deze school (een nieuw gebouw) gaan werken. Vanuit hun ervaringen met de SlimFit aanpak hebben zij het schoolmodel van O4NT omarmd en verder uitgewerkt.

Vragen werden gesteld en beantwoord. En hun nieuwe aanpak werd in deze Infogids geplaatst, die heel goed beschrijft wat kinderen (en ouders) mogen verwachten in een school die met onze aanpak gaat werken. Lees meer

Thorbeckelezing 2013: Peilingen en de stand van de democratie

Op maandag 22 april gaf ik in de oude zaal van de Tweede Kamer de Thorbeckelezing 2013 uit.  De titel was “Peilingen en de stand van de democratie”. Dit is de tekst van de lezing:   Thorbeckelezing 2013

Interessante aanvulling op mijn lezing was het eind van het verhaal van de coreferent Senator Jan Nagel. Die gaf aan ….

Lees meer

Crowdsourcen en het fiasco van het Koningslied

Toen bij DWDD werd aangekondigd dat er een Koningslied kwam, dat burgers hun bijdragen mochten leveren en ik ook de melodie hoorde van John Ewbank vond ik het een prima idee.  Ik geloof erg in het principe van crowdsourcen en ik kon me goed voorstellen dat de hymne die Ewbank had gecomponeerd een goede basis zou zijn voor een over het hele land gezonden lied op de avond van het aantreden van Koning Willem-Alexander.

Ik ben een groot voorstander van crowdsourcen….. Lees meer

Vuilspuiterij van/in NRC-Handelsblad

NRC-Handelsblad publiceert in krant en op internet een artikel waarbij zij met behulp van een aantal professoren/politicologen stellen dat mijn onderzoeken  tendentieus en discutabel zijn. Deze conclusies zijn gericht op onderzoeken die ik voor 50PLUS heb verricht.

Nu kan ik een uitgebreid artikel schrijven om op alle details van de vuilspuiterij in dit artikel in te gaan, maar ik heb wel belangrijkere en aangenamere dingen te doen.  Toch kan ik dit niet zomaar voorbij laten gaan en zal ik de lezer de componenten aanreiken om zelf zijn oordeel te vellen.

Lees meer