Wilt u ons werk financieel ondersteunen? Doe een kleine donatie en klik hier

De laatste updates in uw mail!

U hoeft niets te missen. leder weekend krijgt u de hoogtepunten van Maurice van afgelopen week in uw mail. Met opmerkelijke artikelen, meer achtergrond en toelichtingen.

Home » COVID-19 » Twee interessante dataonderzoeken over de internationale Covid-19 cijfers

Twee interessante dataonderzoeken over de internationale Covid-19 cijfers

Samenvatting van het artikel

Twee grote data-onderzoeken naar Covid-19 worden in dit artikel van Dennis Brouwer besproken. Het gaat daarbij met name om de IFR (Infection Fatility Rate) van Covid-19

Lees volledig artikel
Leestijd: 7 minuten

Dennis Brouwer [1] beschrijft op verzoek van maurice.nl twee interessante nieuwe dataonderzoeken die zijn gedaan naar de verspreiding van COVID-19 in het voorjaar van dit jaar en er wordt ingegaan op de dodelijkheid van het virus en de cijfers in een internationale context.

Ioannidis: meta-studie naar IFR van COVID-19 in internationale context

Het eerste onderzoek is uitgevoerd door metawetenschapper John Ioannidis van Stanford University en meer specifiek de Stanford School of Medicine. In zijn recent gepubliceerde artikel maakt hij een meta-analyse van internationale studies die zijn uitgevoerd naar de Infection Fatality Rate (IFR). De IFR staat voor het percentage mensen dat COVID-19 krijgt en er aan overlijdt.

Ioannidis beschrijft hoe de strenge maatregelen in het voorjaar konden worden opgelegd, met als basis de hoge Case Fatality Rate (CFR, het percentage mensen waarvan vastgesteld is dat zij COVID-19 hebben en eraan overlijden) die in China naar voren kwam en de rapportage vanuit China dat asymptomatische besmettingen niet vaak voor zouden komen. Nu we weten dat asymptomatische besmettingen met dit virus juist relatief vaak voorkomen, kunnen we stellen dat de IFR in werkelijkheid beduidend lager is dan oorspronkelijk werd gedacht.

Om een goede schatting te maken van de verwachte aantallen mensen in een bepaald land of regio die reeds besmet zijn geweest, heeft Ioannidis gebruik gemaakt van zogenaamde seroprevalentie-data. Dat zijn data uit onderzoeken die aangeven bij welk percentage van de bevolking er antistoffen aanwezig zijn tegen COVID-19, wat wijst op een (eerdere) besmetting. Op basis van het aantal geconstateerde doden en deze seroprevalentie, kan een schatting worden gemaakt van de IFR. Ioannidis doet dit voor twee verschillende groepen: mensen onder de 70 jaar en de complete populatie.

Uit de resultaten blijkt dat er veel verschil is tussen de landen. Zoals Ioannidis beschrijft komt dit voornamelijk door (grote) verschillen in de bevolkingsopbouw van landen. Omdat er grote verschillen zijn tussen de landen en het aantal studies hoger ligt in landen waar een grotere uitbraak is geweest, kiest hij ervoor om primair te kijken naar de mediaan van de gevonden waarden. Dat is net iets anders dan een gemiddelde, namelijk de middelste waarde in de rij van waarden (als je ze van laag naar hoog op een rij zou zetten). Ondanks die correctie benadrukt hij, dat zijn schatting van de mediane IFR mogelijk nog wat hoog is, aangezien in gebieden met kleine uitbraken minder of geen onderzoek is gedaan.

De belangrijkste uitkomst van zijn onderzoek is dat de mediane geschatte IFR wereldwijd 0.23% is. Dat betekent dus dat ongeveer 1 op de 500 mensen die COVID-19 krijgt, eraan overlijdt. COVID-19 heeft een zeer steil risicoprofiel afhankelijk van leeftijd, wat betekent dat het percentage mensen dat eraan overlijdt pas bij een hoge leeftijd begint op te lopen. Dit blijkt ook uit de geschatte IFR voor mensen onder de 70, waarvoor de mediane waarde op 0.05% ligt. Oftewel, ongeveer 1 op de 2000 mensen onder de 70 die het virus krijgen, overlijden eraan.

Ioannidis beschrijft ook zijn bevindingen voor Nederland. Voor een stad als Rotterdam met relatief minder ouderen ligt dit rond de 0.5%. Voor Nederland vindt hij een IFR van ongeveer 0.6 à 0.7%, wat relatief hoog is ten opzichte van de mediaan. Dat is echter niet verwonderlijk, omdat Nederland een van de hoogste aandelen 65-plussers in de bevolking ter wereld heeft. In mei schatten wij de IFR voor Nederland op dat moment op ongeveer 0.51%, op basis van de op dat moment beschikbare gegevens en de leeftijdsverdeling van de Nederlandse bevolking. Deze waarde wijkt dus niet heel erg af van de waarden die Ioannidis heeft gevonden. Voor de mensen onder de 70 in Nederland vindt Ioannidis een waarde voor de IFR van ongeveer 0.08%. Minder dan 1 op de 1000 mensen onder de 70 die het virus krijgen, overlijden eraan.

Zoals eerder beschreven gebruikt Ioannidis seroprevalentie-data om schattingen te maken van de IFR in verschillende landen. Hij plaatst hier echter wel een belangrijke noot bij, namelijk dat de seroprevalentie door deze onderzoeken vermoedelijk onderschat wordt. Hij noemt een aantal mogelijke oorzaken, waaronder een bias waarbij mensen die meedoen aan dit soort onderzoeken vaker gezond zijn (en minder snel iets oplopen) en dat het virus vooral in plekken als verzorgingshuizen en in gevangenissen erg is rondgegaan. Daar is de seroprevalentie mogelijk erg hoog, maar deze mensen zullen disproportioneel weinig vertegenwoordig zijn in de onderzoeken. Een mogelijk gevolg is dat de huidige IFR-schattingen in zijn onderzoek nog aan de hoge kant zijn.

Tot slot adviseert Ioannidis om specifiek de oudere, kwestbare groepen (en dan met name de mensen boven de 70, waarvoor de IFR duidelijk hoger ligt) beter te beschermen, zodat de IFR mogelijk nog verder verlaagd kan worden.

Onderzoek naar het effect van COVID-19 op de oversterfte in voorjaar 2020

Het tweede onderzoek betreft een recent in Nature gepubliceerd artikel van een groep van veertien wetenschappers afkomstig uit onder andere het Verenigd Koninkrijk, Italië, Frankrijk en de Verenigde Staten.  Het gaat specifiek in op de overmatige mortaliteit in het voorjaar in verschillende landen. Hierbij wordt een model toegepast dat rekening houdt met verschillende factoren die verschillen tussen landen kunnen verklaren, waaronder seizoenseffecten, temperatuur, nationale feestdagen en reeds bestaande middel- en lange termijn patronen van het aantal overledenen.

Met behulp van een statistische analyse wordt aangetoond dat in de meeste van de 21 onderzochte landen er in het voorjaar is geweest van significante overmatige mortaliteit, er zijn duidelijk meer mensen overleden dan verwacht onder ‘normale’ omstandigheden. In onderstaande afbeelding worden de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek getoond, namelijk de schattingen van het aantal overmatig overledenen in de eerste maanden van 2020. Om dit overmatig aantal te bepalen is een vergelijking gemaakt met de cijfers in de afgelopen tien jaar.

De kleuren geeft een kansenverdeling aan van de mogelijke waarden voor het percentage overmatige doden per land. Een donkere, paarsblauwe kleur wijst op een grote kans. Een lichtere, groene kleur op een kleinere kans. Het oranje puntje geeft de gemiddelde voorspelling / best guess aan.

 

De grafiek laat zien dat de relatieve overmaat aan overledenen in Nederland hoog geweest ten opzichte van de meeste andere landen in het onderzoek. De enige landen waarvoor deze waarde duidelijk hoger ligt is voor Engeland & Wales en Spanje. In vergelijking met Italië zien we alleen wat betreft het relatief aantal doden bij vrouwen een duidelijk verschil.

Interessant genoeg is het overmatig relatief aantal overledenen in Nederland voor zowel mannen als vrouwen nagenoeg gelijk aan dat van Zweden, dat duidelijk minder strenge maatregelen nam dan Nederland (in onderstaande grafiek ziet u een index voor de strengheid van de lockdown voor de tien landen met de hoogste excess mortality). Aan de andere kant is het relatief aantal overledenen in Engeland en Wales het hoogst, terwijl in het Verenigd Koninkrijk een van de strengste lockdowns van de tien landen was.

In het paper wordt tevens vermeld dat er een relatief groot aantal doden was, dat niet direct gelinkt is aan COVID-19. Gemiddeld was dit in de 21 landen zelfs nog meer, dan dat er wel aan COVID-19 zijn gelinkt. Vermoedelijk komt dit door een aantal redenen, waaronder ongedecteerde COVID-19 besmettingen, waardoor het overlijden niet direct aan COVID-19 gelinkt kon worden. Daarnaast is er waarschijnlijk ook een toename in het aantal overledenen aan andere aandoeningen, als gevolg van een verminderde beschikbaarheid van acute en chronische zorg.

Er zijn relatief grote verschillen tussen de landen, die vermoedelijk te verklaren zijn door het wel of niet toewijzen van een overlijden aan COVID-19 als er een vermoeden was dat de persoon COVID-19 had, zonder dat dit daadwerkelijk door een test werd aangetoond. Daarnaast zouden sommige van de overleden personen sowieso al een grote kans hebben gehad om te overlijden als gevolg van meerdere reeds bestaande aandoeningen.

Aan de andere kant kunnen er minder doden zijn geweest als gevolg van influenza en andere luchtweginfecties door het verminderde contact als gevolg van de maatregelen en is er mogelijk een afname geweest in het aantal geweldsdelicten, vallen en verkeersongevallen. De duidelijke verschillen tussen de landen wat betreft de rapportage laten het belang zien van het gebruik van de totale overmatige mortaliteit, als direct en indirect gevolg van de pandemie.

Opvallende verschillen tussen landen en de mortaliteit onder 65 jaar

Er zijn nog een aantal opmerkelijke verschillen tussen de landen te benoemen, die specifiek in het paper naar voren worden gebracht. Zo valt op dat in een aantal landen, de duur van de overmatige mortaliteit duidelijk langer was dan in andere landen. Dit geldt met name voor Engeland en Wales en in Zweden. In Zweden is daarbij wel opvallend dat er lange tijd sprake was van overmatige mortaliteit (niet verrassend gezien de minder strenge maatregelen aldaar), maar dat de wekelijkse toenames in relatieve aantallen duidelijk kleiner waren dan in Engeland en Wales en vele andere landen in dit onderzoek.

Tevens valt op dat het verschil tussen de overmatige mortaliteit tussen mannen en vrouwen van alle landen het grootst is in Nederland en in mindere mate in Zwitserland. De overmatige sterfte onder mannen lag daar duidelijker hoger dan bij vrouwen. Dit terwijl in landen als België en Spanje de overmatige mortaliteit juist bij vrouwen hoger lag.

Nederland is volgens het onderzoek in te delen in de medium categorie van de getroffen landen, waaronder ook Frankrijk en Zweden behoren.  Zij hebben relatief veel overmatige sterfte gehad, maar niet dusdanig veel als in landen als België, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk.

In absolute termen lag het aantal doden overweldigend vaak bij de leeftijdsgroep van 65-plussers, met 94% van de overmatige overlijdens. Als we kijken naar onderstaande grafiek, dan zien we dat de overmatige mortaliteit onder de 65 jaar in de meeste landen niet of nauwelijks significant afweek van 0, zeker wat betreft vrouwen. Enkel in het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Italië en in mindere mate Oostenrijk zien we dat voor beide geslachten er wat meer doden in deze leeftijdsgroep zijn gevallen.

 

In Zweden, Nederland, België, Finland, Portugal en Frankrijk zien we enkel onder mannen een lichte verhoging in het aantal overlijdens onder de 65 jaar. Het gaat hier dan om minder dan vijf per 100.000 personen. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat het zeker bij deze leeftijdsgroep, gezien de geschatte IFR voor de groep (zie Ioannidis), niet per definitie COVID-19 zelf is, die voor alle overmatige mortaliteit zorgt. Het is vermoedelijk een combinatie van de directe en indirecte gevolgen van de gezondheidscrisis die veroorzaakt is door de COVID-19 pandemie.

Het artikel toont dat de pandemie in het voorjaar van dit jaar veel slachtoffers heeft gemaakt. Tussen landen zijn hierbij opvallende verschillen waar te nemen. Daarbij is het belangrijk niet alleen de directe gevolgen (besmettingen en overlijdens aan COVID-19), maar ook de overlijdens aan de indirecte gevolgen in de analyse mee te nemen. Nu de besmettingen weer oplopen is het van belang om lessen te trekken uit de aanpak van de verschillenden landen en te bepalen hoe het deze keer beter kan.

Het artikel sluit dan ook af met de hoop dat lockdowns, zeker landelijke, (hopelijk) vermeden kunnen worden als landen effectief testen en het bron- en contactonderzoek goed op orde is. Dat lijkt nu de voornaamste sleutel om de pandemie onder controle te krijgen, zonder weer een (grootschalige) lockdown in te hoeven voeren, met alle economische-, sociale- en gezondheidsgevolgen van dien.

[1] Dennis Brouwer (1993) is afgestudeerd in Economie en Bedrijfseconomie (Cum Laude) en thans Masterstudent Data Science aan de Erasmus Universiteit. Momenteel werkt hij aan zijn masterscriptie, waarin hij onderzoek doet naar het voorspellen van verkiezingsuitslagen m.b.v. het statistische model dat hij samen met Maurice de Hond heeft opgesteld. Daarnaast is hij financieel-economisch redacteur van de Uitkijktoren en voert hij dataonderzoeken uit in opdracht van Maurice.nl.

Deel dit artikel: Twitter Facebook Linkedin WhatsApp
REACTIES
Reageer hier, maar met respect.

We verwelkomen respectvolle en relevante opmerkingen. Off-topic commentaren worden verwijderd. Als je illegale dingen doet, zullen we het verbieden.

  • MEER OVER
BEKIJK OOK
 

Bekijk het MDH Corona Journaal

Het laatste nieuws omtrent corona!

Bekijk het MDH Corona Journaal

Bekijk het laatste nieuws
omtrent corona!