Berichten

New York Times geeft een goed overzicht van de stand van zaken

Hier treft u een samenvatting aan van mijn bevindingen van de afgelopen 4 maanden weergegevn in  dit artikel New York Times van 30 juni 2020. 

Voor degenen die het liever in het Nederlands lezen, heb ik hieronder de vertaling staan.

 

De meeste mensen met het coronavirus zullen het niet verspreiden. Waarom besmetten weinigen velen?

Groeiend bewijs toont aan dat de meeste geïnfecteerde mensen het virus niet verspreiden. Maar of je een superspreader wordt hangt waarschijnlijk meer af van de omstandigheden dan van de biologie.

Door Carl Zimmer

Op een verjaardagsfeestje in Texas op 30 mei heeft een man naar verluidt 18 vrienden en familie besmet met het coronavirus. Als je dit soort rapporten leest, zou je het virus kunnen zien als een wildvuur, dat overal waar het gaat meteen een epidemie veroorzaakt. Maar andere rapporten vertellen een ander verhaal.

In Italië bijvoorbeeld keken wetenschappers naar opgeslagen monsters van afvalwater voor het vroegste spoor van het virus. Vorige week meldden ze dat het virus al op 18 december in Turijn en Milaan was. Maar er zouden twee maanden voorbijgaan voordat de Noord-Italiaanse ziekenhuizen zich begonnen te vullen met slachtoffers van COVID-19. Dus die decembervirussen lijken zich te hebben uitgeput.

Hoe vreemd het ook lijkt, deze rapporten spreken elkaar niet tegen. De meeste besmette mensen geven het coronavirus niet door aan iemand anders. Maar een klein aantal geeft het door aan vele anderen in zogenaamde superspreading events.

 

“Je kunt denken aan het gooien van een lucifer bij het aanmaakhout,” zei Ben Althouse, hoofdonderzoeker bij het Institute for Disease Modeling in Bellevue, Wash. “Je gooit één lucifer, het mag het aanmaakhout niet aansteken. Je gooit nog een lucifer, het mag het aanmaakhout niet aansteken. Maar dan raakt één lucifer op de juiste plek, en plotseling gaat het vuur omhoog.”

Als je begrijpt waarom sommige lucifers wel branden, maar vele niet, zal dat cruciaal zijn om de pandemie te beteugelen, zeggen wetenschappers. “Anders zit je in de positie dat je altijd één stap achter het virus zit,” zei Adam Kucharski, een epidemioloog aan de London School of Hygiene & Tropical Medicine.

Toen het virus voor het eerst in China opdook hadden epidemiologen moeite om te begrijpen hoe het zich van persoon tot persoon verspreidde. Eén van hun eerste taken was het schatten van het gemiddelde aantal mensen per besmette persoon, of wat epidemiologen het ‘reproductieve aantal’ noemen.

 

Het nieuwe coronavirus bleek een reproductiegetal te hebben van ergens tussen twee en drie. Het is onmogelijk om een exact getal vast te stellen, omdat het gedrag van mensen het makkelijker of moeilijker kan maken voor het virus om zich te verspreiden. Door in lockdown te gaan bijvoorbeeld, bracht Massachusetts het reproductiecijfer omlaag van 2,2 begin maart naar 1 aan het eind van de maand; het staat nu op .74.

Dit gemiddelde cijfer kan ook misleidend zijn omdat het de variabiliteit van de verspreiding van de ene persoon naar de andere maskeert. Als negen van de tien mensen een virus helemaal niet doorgeven, terwijl de tiende het doorgeeft aan 20 mensen, zou het gemiddelde nog steeds twee zijn.

 

Bij sommige ziekten, zoals griep en pokken, geeft een groot deel van de geïnfecteerde mensen de ziekteverwekker door aan enkele anderen. Deze ziekten hebben de neiging om gestaag en langzaam te groeien. “Griep kan zich echt vrij rustig verspreiden” zei Kristin Nelson, een associate professor aan de Emory Universiteit. Maar andere ziekten, zoals mazelen en SARS, zijn gevoelig voor plotselinge opflikkeringen, met slechts een paar besmette mensen die de ziekte verspreiden.

Epidemiologen vangen het verschil tussen die uitbarstingen en het gestaag groeien met iets dat bekend staat als de verspreidingsparameter. Het is een maat voor hoeveel variatie er van persoon tot persoon is in het overbrengen van een ziekteverwekker.

Maar James Lloyd-Smith, een U.C.L.A. ziekte-ecoloog die 15 jaar geleden die dispersieparameter ontwikkelde, waarschuwde dat het feit dat wetenschappers het kunnen meten niet betekent dat ze begrijpen waarom sommige ziekten meer superspreiding hebben dan andere. “We begrijpen gewoon slechts stukjes ervan,” zei hij.

Toen COVID-19 uitbrak probeerden Dr. Kucharski en zijn collega’s dat aantal te berekenen door gevallen in verschillende landen te vergelijken.

 

Als COVID-19 zoals de griep was, dan zou je verwachten dat de uitbraken op verschillende plaatsen meestal even groot waren. Maar Dr. Kucharski en zijn collega’s vonden een grote variatie. De beste manier om dit patroon te verklaren, vonden ze, was dat 10 procent van de geïnfecteerde mensen verantwoordelijk was voor 80 procent van de nieuwe infecties. Dit betekende dat de meeste mensen het virus doorgaven aan weinig of geen anderen.

Dr. Kucharski en zijn collega’s publiceerden hun studie in april als voorpublicatie, een rapport dat nog niet door andere wetenschappers is beoordeeld en in een wetenschappelijk tijdschrift is gepubliceerd. Andere epidemiologen hebben de dispersieparameter met andere methoden berekend, wat tot vergelijkbare schattingen heeft geleid.

In Georgië bijvoorbeeld analyseerden Dr. Nelson en haar collega’s van maart tot mei meer dan 9.500 COVID-19 gevallen. Zij creëerden een model voor de verspreiding van het virus door vijf provincies en schatten hoeveel mensen elke persoon besmette.

In een vorige week gepubliceerde preprint vonden de onderzoekers veel superspreading events. Slechts 2 procent van de mensen was verantwoordelijk voor 20 procent van de overdrachten.

Nu proberen de onderzoekers uit te zoeken waarom zo weinig mensen het virus naar zo veel mensen verspreiden. Ze proberen drie vragen te beantwoorden: Wie zijn de superspreaders? Wanneer vindt de superspreading plaats? En waar?

 

Wat de eerste vraag betreft, hebben artsen opgemerkt dat virussen zich bij sommige mensen kunnen vermenigvuldigen tot grotere aantallen dan bij andere. Het is mogelijk dat sommige mensen virusschoorstenen worden, waardoor er bij elke ademhaling ziektekiemenwolken uitspringen.

Sommige mensen hebben ook meer kans om ziek te worden, en dan vervolgens andere mensen ziek maken. Een buschauffeur of een verpleeghuiswerker kan op een knooppunt in het sociale netwerk zitten, terwijl de meeste mensen minder snel in contact komen met anderen – vooral in een lockdown.

Nelson vermoedt dat de biologische verschillen tussen mensen minder groot zijn. “Ik denk dat de omstandigheden veel belangrijker zijn,” zei ze. Dr. Lloyd-Smith is ermee eens. “Ik denk dat het meer gericht is op de gebeurtenissen.”

Er lijkt veel overdracht te gebeuren in een klein tijdsbestek, een paar dagen na de infectie, zelfs voordat de symptomen zich voordoen. Als er niet veel mensen in de buurt zijn tijdens dat venster, kunnen ze het niet doorgeven.

 

En bepaalde plaatsen lijken zich te lenen voor superspreiding. Een drukke bar, bijvoorbeeld, zit vol met mensen die luidkeels praten. Ieder van hen kan virussen uitspuwen zonder ooit te hoeven hoesten. En zonder goede ventilatie kunnen de virussen urenlang in de lucht blijven hangen.

Een studie uit Japan vond deze maand clusters van coronavirusgevallen in gezondheids-zorginstellingen, verpleeghuizen, dagverzorgingscentra, restaurants, bars, werkplekken en muzikale evenementen zoals liveconcerten en karaokefeesten.

Dit patroon van superverspreiding zou de raadselachtige vertraging in Italië tussen de komst van het virus en de opkomst van de epidemie kunnen verklaren. En genetici hebben een soortgelijke achterstand in andere landen gevonden: de eerste virussen die opduiken in een bepaalde regio geven geen aanleiding tot de epidemieën die weken later komen.

Veel landen en staten hebben uitbraken bestreden met lockdowns, die het voortplantingsnummer van COVID-19 hebben weten terug te dringen. Maar nu de regeringen zich in de richting van heropening bewegen, zouden ze niet zelfgenoegzaam moeten worden en het potentieel van het virus voor superverspreiding niet over het hoofd moeten zien.

“Je kunt echt gaan van het denken dat je dingen onder controle hebt naar het hebben van een uit de hand gelopen uitbraak in een kwestie van een week,” Dr. Lloyd-Smith zei.

De gezondheidsautoriteiten van Singapore verdienden al vroeg lof voor het bestrijden van de epidemie door gevallen van COVID-19 zorgvuldig op te sporen. Maar zij onderkenden niet dat de reusachtige slaapzalen waar migrantenarbeiders leefden gunstige plekken waren voor superspreading gebeurtenissen. Nu worstelen ze met een heropleving van het virus.

Aan de andere kant, wetende dat COVID-19 een superverspreidende pandemie is, zou het een goede zaak kunnen zijn. “Het voorspelt veel voor de controle,” zei Dr. Nelson.

Aangezien de meeste overdracht slechts in een klein aantal vergelijkbare situaties plaatsvindt, kan het mogelijk zijn om met slimme strategieën te komen om ze tegen te houden. Het kan mogelijk zijn om verlammende, algemene lockdowns te vermijden door zich te richten op de superspreading events.

Door de activiteiten in een vrij klein deel van ons leven in te dammen, kunnen we het grootste deel van het risico daadwerkelijk verminderen,” zei Dr. Kucharski.

 

(MdH, daarom stel ik het Deltaplan Ventilatie voor. Zo voorkomen we superspreading events in het najaar.)

De spookpatronen van prof. Wallinga (RIVM)

In het dagrapport van het RIVM van vandaag stond dit overzicht over de R0 (reproductiefactor).

Als je goed kijkt zie je vanaf 26 maart per week kleine golfbewegingen. Op 18 mei zien we eentje, die net boven de 1 uitkomt.

Wat is daar nu aan de hand? Gaat het toch de verkeerde kant op (zoals prof. Wallinga impliceerde toen hij vrijdag in Trouw een interview gaf).

Als je naar de onderliggende data kijkt zie je wat er echt aan de hand is, en dan zakt de moed je verder in de schoenen ten aanzien van de wijze waarop het RIVM en prof. Walling met data omgaan.

Deze grafiek staat ook in het rapport. Dat zijn de cijfers die gebruikt worden voor de berekening van de R0.

Besef dat de RO per dag wordt berekend door de ziekenhuisopnames per dag te delen door die van 4 dagen eerder. De rode lijn betreft de eerste ziektedag van de mensen die in het ziekenhuis zijn opgenomen.

Als je goed kijkt naar die data, dan zie je met een bepaalde regelmaat een piekje. Kijk nog maar even naar 1 april. Maar ieder van die piekjes wordt voorafgegaan door een dipje. Dat komt omdat het piekje een maandag betreft en het dipje de zaterdag en de zondag.

In het overzicht van het RIVM van de ruwe data zien we op een maandag in april 90 ziekenhuisopnames. Op de vrijdag ervoor waren het er 122. Maar in de dagen ertussen 71 en 60. Eind mei zien we op een maandag 14 ziekenhuisopnames. Op de vrijdag ervoor waren het er 9. Maar op de zaterdag en zondag waren het er 3 en 4. Dus de reeks was 9 – 3 – 4 – 14.

Maar als we die 14 van de maandag gelijkelijk verdeeld hadden over de zaterdag, zondag en maandag, dan was de reeks geweest: 9 – 8 – 8 – 5.

Origineel: 9 – 3 – 4 – 14

Correctie: 9 – 8 – 8 –  5

Dat maakt nogal wat uit: 14 op maandag of 5.  Zeker als je weet dat 4 dagen ervoor (op donderdag) het aantal 7 was.  De 14 ten opzichte van die 7 zou een duidelijke stijging  betekenen, maar die 5 ten opzichte van die 7 een duidelijke daling.

En daarmee hebben we direct de verklaring voor de golfbeweging van R0. We zien vooral het feit terug dat mensen meer op maandag in het ziekenhuis worden opgenomen dan op zaterdag of zondag.

Dat in het overzicht van het RIVM op 18 mei (een maandag!) een waarde te zien is van boven de 1 is volledig toe te schrijven aan de specifieke weekendpatronen en heeft NIETS te maken met een reproductiefactor, die echt weer aan het stijgen is. Vanaf 15 maart blijft de R0 stabiel op ongeveer hetzelfde niveau staan. De schommelingen hebben vrijwel alleen te maken met het feit dat in het weekend minder mensen worden opgenomen dan op maandag. Dat zijn de spookpatronen van prof. Wallinga.

Die vervolgens het volgende durft te zeggen bij een interview in Trouw. Kan het schaamtelozer?

 

 

 

 

The big impact of superspreading events

On June 2nd, the New York Times published an article called “Just stop the superspreading events”, which is completely in line with my findings from April about the great impact of superspreading events and that Covid-19 is actually spreading slowly outside those events.

These are the most important findings of the epidemiologists Adam and Cowling regarding the Covid-19 outbreak in Hong Kong. They investigated 1,038 infections in Hong Kong between January 23rd and April 28th and reported their results in this paper.

Their conclusions on 349 infections (the remaining 689 were infected elsewhere in China):

  • 20% of those infected accounted for 80% of new infections. They all took place at social gatherings.
  • 10% accounted for the remaining 20%. This meant that 1 or 2 people were infected, usually within the household.
  • 70% of the infected persons, did not infect anyone else. The authors found this to be an astonishing outcome.

In addition, they mentioned other studies with more or less comparable results:

  • The study in the province of Shenzen came to the conclusion that 80% of the infections were caused by 8 to 9% of the infected people.
  • In Israel, a study found that 80% of the cases were due to less than 10% of all infected persons.
  • In the case of SARS in Singapore it was found that 6% of the cases were responsible for 80% of the infections. 73% of the persons infected did not infect anyone.
  • In Hong Kong, 331 SARS infections could be traced back to one person.
  • For MERS in 2012 in Saudi Arabia, 14% of the cases accounted for 80% of the cases.

Not only they conclude that these superspreading events are part of the spread of COVID-19, but that they are the principal driving force behind the pandemic as well!

This is a selection of blogs where I came to the same conclusion:

April 9: That’s how big the impact of superspreading events is

April 19: Kessel’s superspreading event on 5 March

April 24: The spread of the virus is already virtually under control

– May 1: Meat processing industry: superspreading hot spots

May 28: COVID-19 doesn’t spread that easily at all

Through research in Dutch municipalities where superspreading events did and did not take place before the Lockdown on 15 March, the same patterns can be seen as described by the two authors in the New York Times. Municipalities where a superspreading event had taken place, had on average a factor of 8 times as many infections and deaths as those where such an event had not taken place.

The final conclusion of the authors in the New York Times is that by preventing superspreading events, the spread of Covid-19 can be controlled. And they conclude: this can be done with an approach that has much less impact, socially and economically, than the lockdowns and the extreme form of social distancing that has been imposed on the world in recent months.

Their final sentence is: Forget about maintaining or reinstating drastic measures to control the spread of the virus in the event of new outbreaks. Focus only on stopping the super spread.

Although they don’t use the same name, they indicate that stopping the spread of the virus should not be done through a 1.5 meter society, but with measures to prevent the super spread.

The interview with Japanese professor Oshitami shows exactly the same. He is a member of the Japanese Intervention Cluster Group.  This is the translation of the most important part:

“That fact not only made the contact research very inefficient, it was reminiscent of that other coronavirus from 2003: SARS. “That differs in many areas from Sars-CoV2, says Oshitani,” but SARS also turned out to be dependent on super-spreading events for its survival, with one person infecting many people at once and creating a cluster. “

Those clusters, the Japanese concluded, are key in tackling the virus. Oshitani was a member of the Cluster Intervention Group set up on February 25 by the Ministry of Health. The ministry changed the strategy of contact research by the Japanese GGDs: the focus was no longer on identifying and quarantining the contacts that a person who tested positive could have infected, but on finding out where this person had the infection. – what the Japanese call retrospective contact research.

For example, they identified one cluster after another, including in gyms, conference centers, restaurants, and karaoke bars – nearly all of them where people without masks gathered and talked or sang loudly. Also striking: the person who infected the others was not sick at the time and did not cough or sneeze. ‘This is how we came to our policy based on the three Cs: avoid closed (closed) spaces with poor ventilation, busy (crowded) places and intensive (close) contact such as close conversations,’ says Oshitani, ‘supplemented later by avoiding together. sing, talk loudly and make close efforts. “

The key to reducing the number of infections is not in applying the 1.5 meter society, but in ensuring that superspreading events do not happen!

But it means a lot more

One subject they don’t discuss in more detail in their article, is how the infection actually takes place. However, they do indicate that it takes place in enclosed spaces inside, with a lot of people present. But they do not express themselves about the method of transmission, via direct contact (as WHO/RIVM claim) or by air. These research results, partly thanks to statements by the OMT in the Netherlands and people like Prof. Voss, give a very clear answer. The OMT’s advice states the following as an argument that Covid-19 does not go by air: The reproduction number of Covid-19 is around 2.5. And then the OMT states:

“Virus diseases like measles, which are spread aerogenic through fine small droplets, have a much higher reproduction rate, between 12 and 20.”

In other words: Only if a lot of people are infected at the same time, this is evidence of small droplets floating in the air.

Let’s make some calculations based on the results of the New York Times article.

  • The R0 of Covid-19 is 2.5. So that means that 1,000 people infect 2,500 other people.
  • If 10% of the people infect 80% of the people, it means that (10% of 1,000=) 100 people infect (80% of 2,500=) 2,000 people. Then the R0 of this group is 2,000/100 = 20.
  • If the remaining 90% infects the remaining 20%, 900 people still infect 500. Then the R0 of this group is 500/900= 0.6

 

The high R0 of the first group (1 person infects 20 others on average) strongly resembles that of measles. So then the only logical conclusion you can draw as OMT and Prof. Voss, is that in superspreading events the spread is by air and not by direct contact.

The Robert Koch Institute now also indicates that airborne contamination does take place (chapter 1, section on aerosoles, last paragraph):

“Even if a final assessment is currently difficult, the studies so far generally indicate that SARS-CoV-2 viruses can also be transmitted through aerosols in the social environment.”

In super-spreading events, where many are infected at the same time, it could hardly have happened otherwise than by air.

You need a lot of fantasy and a lack of logical thinking if you want to explain the contamination of 52 people by one other member of Seattle’s choir by transmission through direct contact. If you accept that with the measles (R0 between 12 and 18) the virus spreads by air, then you can’t draw any other conclusion that Covid-19 does the same with those superspreading events.

So that way we can conclude that 80% of all COVID-19 infections are airborne.

Also with Influenza there are studies from the past, which are about the airborne spread of the virus. Such as this study from 2013 with the title “Aerosol transmission is an important mode of influenza-A spread”.

The question remains however, how does this infection occurs in the remaining 20%? Are these mainly infections within the household because of direct contact?

But if the infection is airborne at superspreading events, why shouldn’t it be the same within the household?

The answer to this appears to be given by the important results of Prof. Streeck’s study in Heinsberg. If you are infected during a superspreading event, you are more seriously ill and have fewer symptoms than at home.

Long-term exposure to the virus in the air is the crux of the matter. From the lungs of an infected person the virus ends up in the lungs of not yet infected people. Not only do they breathe the minimum amount needed to become infected, but many people present breathe in a lot of virus (high viral load) and become quite sick from it.

At home the conditions for the virus are apparently less favorable to strike that way. There may be more ventilation. The patient talks less and certainly doesn’t sing. The not yet infected persons do not stay in a room with the floating virus long enough to get sick of it. That’s probably why the researchers in Hong Kong establish that 70% of the infected persons have not infected anyone else at home.

Airborne infection also explains why people are not infected when there is good ventilation. And why there are hardly any infections in the open air. Then the virus doesn’t float around a person long enough to breathe in enough virus and get sick of it. That’s why higher humidity works, because it prevents the virus from floating around for a long time. That’s why mouth protection works in indoor areas, because it considerably reduces the emission of virus particles that remain in the air for a long time.

This also means that contamination via direct contact plays virtually no role in the spread of Covid-19. The measure that really worked all over the world is the ban on meetings with larger groups of people. And not the fact that we have introduced social distancing (keeping the 1.5 meter distance in the Netherlands). These are also the conclusions of researchers from Hong Kong.

As long as the WHO and RIVM do not recognize this, we will not only keep the stranglehold of the 1.5 meter society around the neck of the economy and social structure, but we will also maintain a fundamentally unsafe situation. As a result, based on RIVM’s protocols, we are doing exactly what is (virtually) ineffective in preventing the spread of the disease and are gradually doing what increases the risk of superspreading events. (allowing meetings with people, without pointing out the need for good ventilation).

It is similar to the situation where you drive down a single track on an unguarded level crossing. The RIVM’s track says that you only have to look to the left in order not to be hit by a train. You do exactly that. You stop in front of the crossing and look carefully to the left. You don’t see anything coming, so you cross.

But then you are hit by the train coming from the right. It wasn’t in the RIVM’s track book, because that was the timetable from 2019.

Superspreading events: de aanjager van de COVID-19 pandemie

De grote impact van superspreading events

In The New York Times stond op 2 juni een artikel met de naam “Just stop the superspreading events”, dat volledig aansluit op mijn bevindingen uit april t.a.v. het grote belang van superspreading events en dat COVID-19 zich buiten die events eigenlijk maar langzaam verspreidt.

Dit zijn de belangrijkste bevindingen van de epidemiologen Adam en Cowling t.a.v. de uitbraak van COVID-19 in Hong Kong. Zij onderzochten 1.038 besmettingen in Hong Kong tussen 23 januari en 28 april en deden daar in dit paper verslag van.

Hun conclusies over 349 besmettingen (de overige 689 waren besmet elders in China):

  • 20% van de besmette personen zorgden voor 80% van de nieuwe besmettingen. Ze vonden allemaal plaats bij “social gatherings”
  • 10% zorgde voor de overige 20%. Dat hield in, dat men dan 1 à 2 personen besmette, doorgaans binnen het huishouden.
  • 70% van de besmette personen besmette niemand anders. Dit vonden de auteurs een verbijsterende uitkomst.

Daarnaast vermeldden ze andere studies met min of meer vergelijkbare uitkomsten:

  • Het onderzoek in de provincie Shenzhen kwam tot de conclusie dat 80% van de besmettingen kwam door 8 à 9% van de gevallen.
  • In Israël bleek uit een studie dat 80% van de gevallen terug te leiden was tot minder dan 10% van alle besmette personen.
  • Bij SARS bleek in Singapore dat 6% van de gevallen verantwoordelijk wars voor 80% van de besmettingen. 73% van de personen besmette niemand.
  • In Hong Kong waren bij SARS 331 infecties te herleiden tot één persoon.
  • Bij MERS in 2012 bleek in Saudi Arabië 14% van de gevallen zorg te dragen voor 80% van de gevallen.

Zij concluderen niet alleen dat deze superspreading events een onderdeel zijn van de verspreiding van COVID-19, maar dat ze de aanjager van de pandemie zijn!

Dit is een selectie van blogs waar ik tot dezelfde conclusie kwam:

  • 9 april: Zo groot is de impact van superspreading events
  • 12 april: Wat we kunnen leren van de patronen van de Nederlandse verspreiding
  • 14 april: Zo gaat de verspreiding van het COVID-19 virus vooral
  • 19 april: Het superspreading event van Kessel op 5 maart
  • 24 april: De verspreiding van het virus is al vrijwel onder controle
  • 1 mei: Vleesverwerkende industrie: superspreading hot spots
  • 28 mei: COVID-19 verspreidt zich helemaal niet zo makkelijk

Mede via onderzoek in Nederlandse gemeenten waar wel en waar geen superspreading events hadden plaatsgevonden voor de lockdown op 15 maart, zijn dezelfde patronen te zien als de twee auteurs in de New York Times beschrijven. Gemeenten waar een superspreading event had plaatsgevonden kenden gemiddeld een factor 8 keer zoveel besmettingen en doden als de gemeenten waar dat toen niet was gebeurd.

De slotconclusie van de auteurs in de New York Times is, dat door de superspreading events te voorkomen de verspreiding van COVID-19 onder controle kan komen. En, zo sluiten zij af: dit kan met een benadering die veel minder impact heeft, sociaal en economisch, dan de lockdowns en de extreme vorm van social distancing die de wereld zijn opgelegd in de afgelopen maanden.

Hun slotzin is: Vergeet het handhaven of weer instellen bij nieuwe uitbraken van ingrijpende maatregelen om de verspreiding van het virus te beheersen. Focus je alleen op het stoppen van de superverspreiders.

Hoewel ze niet dezelfde naam gebruiken, geven ze dus aan dat het stoppen van de verspreiding van het virus niet via een 1,5 meter-samenleving zou moeten verlopen, maar met maatregelen om de superverspreiding te voorkomen.

Uit het interview met de Japanse professor Oshitami blijkt exact hetzelfde. Hij is lid van het Japanse Intervention Cluster Group. En dit is het belangrijkste gedeelte van dit interview.

De sleutel tot het doen verminderen van het aantal besmettingen ligt niet in het toepassen van de 1,5 meter samenleving, maar in het zorgen dat superspread events niet gebeuren!

Maar het betekent nog veel meer

Een onderwerp waar ze in hun artikel niet dieper op ingaan is hoe de besmetting nu eigenlijk plaatsvindt. Wel geven ze aan dat het in afgesloten ruimtes binnen plaatsvindt, met veel mensen daarin. Maar over de wijze van overdracht, via direct contact (zoals WHO/RIVM beweren) of via de lucht, laten zij zich niet uit. Deze onderzoeksresultaten geven, mede dankzij uitspraken van het OMT in Nederland en mensen als prof. Voss een heel duidelijk antwoord. In het advies van het OMT staat het volgende als argument dat COVID-19 niet via de lucht gaat. Het reproductiegetal van COVID-19 ligt rond de 2,5. En dan stelt het OMT:

Virusziekten zoals mazelen, die aerogeen via fijne, kleine druppels verspreid worden, hebben karakteristiek een veel hoger reproductiegetal, tussen de 12 en 20.

Met andere woorden: pas als er veel mensen tegelijk worden besmet, dan is dat een bewijs van kleine druppeltjes die in de lucht zweven en veel mensen infecteren.

Laten we eens wat sommetjes maken met de resultaten van het artikel in The New York Times:

  • De R0 van COVID-19 is 2,5. Dat betekent dus dat 1000 personen 2500 andere mensen besmetten.
  • Als 10% van de personen 80% van de mensen besmetten betekent het dat (10% van 1000=) 100 personen (80% van 2500=) 2000 mensen besmetten. Dan is de R0 van deze groep 2000/100 = 20
  • Als de overige 90% de resterende 20% besmet, dan betreft het dat 900 mensen nog 500 besmetten. Dan is de R0 van deze groep 500/900= 0,6.

Met deze grafiek zie je dit patroon:

 

Die hoge R0 van de eerste groep (1 iemand besmet gemiddeld 20 anderen) lijkt sterk op die van mazelen. Dus dan is de enige logische conclusie die je dan kunt trekken als OMT en Prof. Voss, dat bij superspreading events de verspreiding via de lucht gaat, en niet via direct contact.

Je hebt veel fantastie nodig en een gebrek aan logisch kunnen nadenken als je de besmetting van 52 mensen door 1 ander koorlid bij Seattle wilt verklaren door overdracht via direct contact. Als je bij mazelen wel accepteert dat bij een R0 van tussen 12 en 18, dat het virus zich door de lucht verspreidt, dan kun je geen andere conclustie trekken dan dat COVID-19 dat ook doet bij die superspreading events.

Ook het Robert Koch instituut geeft nu aan dat er wel besmetting via de lucht plaats vindt (hoofstuk 1, deel over aerosoles, laatste paragraaf):

Zelfs als een definitieve beoordeling op dit moment moeilijk is, geven de onderzoeken tot nu toe over het algemeen aan dat SARS-CoV-2-virussen ook via aërosols in de sociale omgeving kunnen worden overgedragen ”

Bij superspreading events, waar velen tegelijk worden besmet, kan het bijna niet anders zijn gebeurd als via de lucht.

 

Dus op die manier kunnen we al zeggen dat 80% van alle besmettingen van COVID-19 via de lucht plaatsvinden.

Ook bij influenza blijken er studies te zijn uit het verleden, die gaan over de verspreiding van het virus via de lucht. Zoals deze studie uit 2013 met de titel “Aerosol transmission is an important mode of influenza-A spread”.

De vraag die nog wel overbijft is hoe die besmetting dan bij die overige 20% plaatsvindt. Zijn dat dan vooral besmettingen binnen het huishouden die wel via direct contact verlopen?

Maar als de besmetting bij superspreading events via de lucht geschiedt, waarom zou dat dan ook niet vooral of zelfs alleen binnen het huishouden zo zijn?

Het antwoord daarop blijkt gegeven te worden via de belangrijke uitkomsten van de studie van prof. Streeck in Heinsberg. Als men tijdens een superspreading event is besmet, is men ernstiger ziek en heeft men minder vaak geen symptomen dan thuis.

Het langdurig blootgesteld zijn aan het virus in de lucht is de crux waar alles om draait. Van de longen van een besmet persoon komt het virus terecht in de longen van nog niet besmette mensen. Die ademen dan niet alleen een minimale hoeveelheid in die nodig is om besmet te worden, maar veel aanwezigen ademen veel virus in (hoge viral load) en worden daar behoorlijk ziek van.

Thuis zijn de omstandigheden voor het virus blijkbaar minder gunstig om op die manier toe te slaan. Er kan meer ventilatie zijn. De patiënt praat minder en zingt zeker niet. De nog niet besmette personen blijven niet lang genoeg in een ruimte met het zwevende virus om er ziek van te worden. Daarom is het waarschijnlijk zo dat de onderzoekers in Hong Kong vaststellen dat 70% van de besmette personen niemand anders thuis hebben besmet.

Als de besmetting via de lucht verloop verklaart dat ook waarom men niet besmet wordt bij goede ventilatie. En waarom er amper besmettingen zijn in de buitenlucht. Dan blijft het virus niet lang genoeg zweven in de buurt van een persoon om voldoende virus in te ademen en er ziek van te worden. Daarom ook dat hogere luchtvochtigheid werkt, omdat die verhindert dat het virus langdurig blijft zweven. Daarom ook dat mondbescherming in binnenruimtes werkt, omdat de uitstoot van virusdeeltjes die lang in de lucht blijven zweven, daardoor aanzienlijk wordt verminderd.

Dat houdt ook in dat besmetting via direct contact vrijwel geen rol speelt bij de verspreiding van COVID-19. De maatregelen bij de lockdowns in heel veel landen in de wereld die echt gewerkt hebben zijn het verbod op bijeenkomsten met grotere groepen mensen. En niet het feit dat we social distancing (de 1,5 meter afstand houden in Nederland) hebben ingevoerd. Ook dat zijn de conclusies van de onderzoekers uit Hong Kong.

Zolang de WHO en het RIVM dit niet onderkennen houden we niet alleen de wurgslang van de 1,5 meter-samenleving om de hals van de economie en sociale structuur, maar houden we ook een fundamenteel onveilige situatie in stand. Hierdoor doen we vanuit de protocollen van het RIVM precies datgene, wat (vrijwel) geen effect heeft op het verhinderen van de verspreiding en gaan we langzamerhand weer datgene doen wat het gevaar op superspreading events doet vergroten. (bijeenkomsten met mensen toestaan, zonder dat we wijzen op de noodzaak van goede ventilatie).

Het lijkt op de situatie dat je op een onbewaakte overweg afrijdt met een enkel spoor. Dankzij het spoorboekje van het RIVM weet je dat je alleen maar naar links hoeft te kijken om niet door een trein aangereden te worden. Dat doe je dan ook heel goed. Je stopt voor de overweg. Kijkt goed naar links, tot heel ver of er een trein aankomt. Die zie je niet aankomen, dus rijd je de overweg over.

Maar je wordt gepakt door de trein die van rechts komt. Die stond niet in het spoorboekje van het RIVM, want die betrof de dienstregeling uit 2019.

Factchecking het OMT

Drie dagen geleden deed ik een oproep om het addendum van het OMT van 25 mei eens op feiten en redeneringen na te lopen. Ik kreeg veel reacties en hieronder de weerslag ervan. Lees meer

Het OMT is om

In de Volkskrant van vandaag een uitgebreid artikel over het grote belang van superspreadevents bij de verspreiding van het COVID-19 virus.

Het is het verhaal dat ik op 9 april schreef en dat ik ruim een maand geleden nog getalsmatig onderbouwde. De exponentiele groei die we bij COVID-19 zagen kwam door grote en kleine superspreading events. Voor de rest verspreidt het virus zich slechts langzaam.

Op zichzelf ben ik blij dat wat ik nu al bijna twee maanden beweer op basis van mijn data-analyses, nu ook mainstream is doorgedrongen.  Met name omdat Prof. Christian Drosten die conclusies de afgelopen dagen ook is gaan trekken.

Twee belangrijke en evenzeer logische conclusies worden helaas in dit artikel nog niet getrokken:

  • Het stoppen van de exponentiele groei van het virus is primair gekomen door het verbieden van bijeenkomsten met groepen mensen.
  • Het houden van 1,5 meter draagt daar maar heel weinig toe bij (en ik denk zelfs niets).

 

De enige conclusie die je daaruit kan trekken is, dat we per direct moeten stoppen met de 1.5 meter maatschappij.  Omdat het geen of vrijwel geen bijdrage levert aan de bestrijding van het virus. Het enige dat relevant is, is te zorgen dat er geen superspreading events plaatsvinden. En dat kan je alleen, als je snapt wat er gebeurt en hoe dat dan te voorkomen is (spoiler alert:  ventilatie, ventilatie, ventilatie en hogere luchtvochtigheid)

 

Nu wil het geval, dat als je goed kijkt naar wat er in het addendum van het advies van het OMT staat dat o.a. gaat over mogelijke verspreiding van COVID-19 via de lucht, je -zij het impliciet- ook hun bevestiging leest van een lucht gedragen besmetting via aerosoles. Kijk maar.

Het begint met de volgende zin, als onderbouwing dat verspreiding door de lucht slechts een kleine rol speelt bij de verspreiding van dit virus:

En dat argument hoor en lees ik de laatste tijd vaak. Ook weer gisteren in De Volkskrant en bij OP1, waar o.a. Prof. Voss dat vertelde.

Als je dit argument ontleedt dan kom je tot een opmerkelijke conclusie.

Mazelen gaat door de lucht en heeft een hoge RO tussen de 12 en 18.

En het is natuurlijk logisch dat als een virus door de lucht zweeft, dat je dan in één klap veel mensen kan besmetten. Even logisch is, dat als het om een directe besmetting binnen een straal van 1,5 meter van een geïnfecteerde persoon gaat, dan het dan dus maar met 1, max. 2 personen tegelijk gaat. Als de aanwezigen pech hebben dan maakt die persoon max. 5 slachtoffers.

 

Een R0 is natuurlijk altijd een samenstelling van allerlei factoren waarop een besmetting plaats vindt. Thuis, op andere plekken, binnen je huishouden, met vreemden.

In dit blog leg ik uit dat je een R0 van 2 kunt krijgen als 99 mensen ieder 1 persoon besmetten en 1 persoon 101. Dat zijn er dan in totaal 99+101=200.

Daar is in de epidemiologie zelfs een maat voor: de z.g.n. dispersiefactor (de verstrooingsparamater)  die wordt uitgedrukt met een K (Kappa). Als die waarde 1 is dan besmet ieder besmet persoon in gelijke mate anderen. Dus bij een R0 van 2 besmet ieder besmet persoon 2 andere personen.

Als die dispersiefactor b.v. 0,1 is dan is maar een heel klein deel van de besmette personen verantwoordelijk voor het overgrote deel van de besmettingen. En dat is nu precies wat bij Covid-19 het geval is.

De enige vraag die dan nog resteert is hoe de besmetting verloopt tijdens superspreading events (die samen dus verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de grote uitbraken wereldwijd)?

En dat antwoord staat impliciet in dit advies van het OMT en is ook af te leiden uit de woorden van Prof. Voss.

Als het virus door de lucht gaat (zoals bij mazelen) dan zal er een R0 zijn die heel hoog is. (en nogmaals, dat lijkt me een heel terechte conclusie).

We weten dat bij het koor dicht bij Seattle 1 persoon 52 andere personen heeft besmet.

Laten we de woorden van Prof. Voss en dit advies van het OMT, nog even goed op ons laten inwerken.

Denkt u dat die 52 personen besmet zijn doordat ze allemaal zo dicht bij die ene persoon zijn gekomen zodat ze besmet zijn geraakt? Of denkt u dat het gekomen is omdat het Covid-19 virus een tijd door de lucht zweefde en 52 mensen blijkbaar zoveel hebben ingeademd dat ze besmet werden?

En laten we ook nog even in ons denken meenemen de 1.000 bemanningsleden van twee marineschepen en de uitbraken in Mulhouse, Kuala Lumpur en Daegu waarbij tussen de 1.000 en 3.000 mensen zijn besmet.

Als men nota bene zelf stelt dat een hoog aantal besmette personen betekent dat er sprake is van een besmetting via de lucht, dan moet je wel hele grote oogkleppen op hebben, als je dan toch beweert dat die grote aantallen besmettingen bij één gelegenheid te wijten zijn aan het directe contact met één- of en handjevol personen, die anderen kon(den) besmetten.

Gelukkig dat Prof. Dorsten in zijn podcast van donderdag precies dit onderwerp beschrijft en dus ook aangeeft dat het via de lucht moet zijn gebeurd. Dat maakt de kans kleiner dat de wetenschappers van het OMT volharden in de onhoudbare stelling dat er geen bewijzen zijn voor de aerosolen verspreiding van het virus.

En als je dan opnieuw logisch naar al het onderzoeksmateriaal kijkt dan kan je geen andere conclusie trekken dat dit het vroegtijdige einde betekent van de  1,5 meter maatschappij. Nu is alleen de vraag  hoe groot de draaicirkel is van RIVM en de regering. Dus hoe lang het duurt dat zij dat ook zullen erkennen. Besef dat het de economie en samenleving, iedere dag dat het langer duurt, heel veel geld kost. In mijn laatste (door Youtube verwijderde) interview zei ik “Er is ons een wurgslang van 1,5 meter om de nek gelegd”.

Laten we nu eindelijk het virus bestrijden met het juiste instrumentarium. Dat is veiliger (geen onverwachte uitbraken) en met minder schade voor economie en samenleving.

P.S. In 1977 werden 38 van de 54 personen besmet die 5 uur lang in een stilstaand vliegtuig hadden gezeten terwijl de luchtcirculatie was uitgeschakeld. Niet veel fantasie meer nodig toch, om te beseffen dat dit ook door de lucht is gegaan.

KIJK NAAR DIT INTERVIEW

Ik geef de ruimte in dit blog, met een diepe buiging, aan dit gesprek met Willem Engel.

Het by far het beste interview dat ik de laatste maanden over COVID-19 wereldwijd heb gezien.