Berichten

De lage reproductiefactor van Nederlandse bestuurders en media

En weer zien we de bewijzen hoe de burgers en bedrijven via het creëren van angst, gevangen worden gehouden door een ring van RIVM, virologen, bestuurders en media.

Lees meer

Eerste resultaten van onderzoekcorona.nl

Inmiddels hebben 2659 mensen, die besmet zijn met het Coronavirus, meegedaan aan Onderzoekcorona.nl. Zij hebben de vragenlijst ingevuld. Via een check in de vragenlijst is de waarschijnlijkheid vastgesteld of men inderdaad die besmetting had.

Lees meer

We can do so much better, it has to be so much better

This will be a short blog. Maybe that will help the media and the general public to understand my findings better. I’m not a virologist and I don’t pretend to be one. However, I am academically educated and able to assess scientific research.  My background as a social geographer and my experience with data and statistics help me to arrive at well-founded insights into the COVID-19 crisis.

I have long argued that aerosols indoors play an important role in the spread of the virus and that the risk of infection is significantly lower outdoors. This means that 1.5 meters distance indoors is not sufficient under certain circumstances, but also that 1.5 meters outdoors need not always be necessary (effective if possible, but not necessarily).

I have also long argued that worldwide evidence shows, that so called super spread events played a very important role in the exponential rise of the virus at the beginning of the outbreak. Because there are hardly any such events in the world anymore, we see a strong deflection of the exponential growth everywhere and there are no large second outbreak waves. Unfortunately, it is not yet understood that aerosols also play a role in the spread within healthcare institutions, as I communicated to responsible authorities 5 weeks ago. As a result, situations have sometimes arisen in which virtually everyone within these institutions became infected.

Instead of believing me on my word, I advise you to read this article dit artikel te lezen by a professor from Colorado, who gives the best description of aerosols I have read so far. Very accessible and very balanced. See the end of this article.

Also read this summery of a recent Japanese study:

 

 

RIVM and adjoining experts, who regularly appear on TV, think that the role of aerosols is minimal. They ignore my input from relevant scientific sources. What’s more, it leads to my findings being marginalized in the media. Time and again, what I have said appears to be confirmed by new studies and new examples. (Like the risks I described of the virus spreading among workers in the meat processing industry, that have now materialized in the Dutch city of Velp).

I find this interview last Saturday with the Dutch governments Corona fighters Van Dissel and Wallinga staggering. After two months we only hear that the is still not enough information to design an exit strategy. Even the most basic information about how many percent of the population is infected appears to be lacking. Also the calculation of the R0 is not based on hard information and is partly based on assumptions that have not been made public. Nevertheless, much more is already clear. It is only high time that all relevant scientific insights are included in the considerations for policy and measures.

As long as the information about the aerosols isn’t taken seriously, RIVM and virologists are unnecessarily pushing us into the “new normal” of the so called “1.5 meters society”. In addition, they ignore a source of contamination that may be relevant when schools reopen soon, with all its possible consequences.

 

Het kan zoveel beter, het moet zoveel beter

Dit wordt een kort blog. Misschien dringen mijn bevindingen dan beter door bij de media en het brede publiek. Ik ben geen viroloog en pretendeer dat ook niet. Ik ben wel academisch gevormd en in staat wetenschappelijk onderzoek te beoordelen.  Mijn achtergrond als sociaal-geograaf en mijn ervaring met data en statistiek helpen om tot onderbouwde inzichten te komen in de COVID-19 crisis.

Ik beweer al heel lang dat binnenshuis de aerosols een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van het virus en dat buitenshuis de kans op besmetting beduidend lager ligt.. Dit betekent dat de 1,5 meter in binnenruimtes bij bepaalde omstandigheden niet voldoende is, maar ook dat buitenshuis de 1,5 meter niet altijd nodig hoeft te zijn (als het kan prima, maar niet per se).

Ik beweer ook al lang dat superspreading-events een heel belangrijke rol hebben gespeeld bij de exponentiele stijging van het virus in het begin van de uitbraak. Omdat dergelijke events er wereldwijd amper meer zijn, zien we overal een forse afbuiging  van de exponentiele groei en zijn er  geen grote tweedeuitbraakgolven. Helaas wordt nog niet ingezien dat aerosols ook een rol spelen bij de verspreiding binnen zorginstituten, zoals ik al 5 weken geleden aan verantwoordelijke instanties heb gecommuniceerd. Daardoor zijn soms situaties  ontstaan, waarin vrijwel iedereen binnen die instelling besmet is geraakt.

In plaats van mijn tekst verder te lezen, raad ik jullie aan dit artikel te lezen van een professor uit Colorado, die de beste beschrijving geeft van aerosols, die ik tot nu toe heb gelezen. Zeer toegankelijk en zeer afgewogen. Dit staat o.a. aan het eind van dit artikel.

In de recente Japanse studie, waar naar verwezen wordt, staat dit in de samenvatting:

Het RIVM en aanpalende deskundigen, die met regelmaat op tv verschijnen, denken dat de rol van aerosols miniem is. De beperkte scoop van deze deskundigen negeert mijn inbreng, terwijl die komt vanuit relevante wetenschappelijke bronnen. Het leidt er bovendien toe dat mijn bevindingen in de media worden gemarginaliseerd. . Keer op keer blijkt wat ik gezegd heb te worden bevestigd door nieuwe studies en nieuwe voorbeelden. (Nu ook weer in Velp waar werknemers in de vleesverwerkende industrie besmet zijn geraakt en dat risico beschreef ik enkele dagen geleden al).

Dit interview van afgelopen zaterdag met Van Dissel en Wallinga vind ik onthutsend. Na twee maanden horen we alleen dat we eigenlijk nog zoveel niet weten. Zelfs de basale informatie over hoeveel procent van de bevolking besmet is, blijkt te ontbreken. Ook de berekening van de R0  berust niet op harde informatie en is mede gebaseerd op aannames die niet openbaar zijn gemaakt. Toch is  er echt al veel meer duidelijk. Het is alleen hoog tijd dat alle relevante wetenschappelijke inzichten worden meegenomen in de afwegingen voor beleid en maatregelen.,

Zolang de informatie over de aerosols niet serieus wordt genomen duwen RIVM en virologen ons onnodig de 1,5 meter maatschappij in. Daar komt bij dat men een   bron van besmetting negeert, die  relevant kan zijn als de scholen straks weer openen, met alle mogelijke gevolgen van dien.

 

De verspreiding van het virus is al vrijwel onder controle

Samenvatting

In dit artikel laat ik zien hoe het COVID-virus zich voor 15 maart heeft verspreid, voordat we in Nederland maatregelen namen. Uit de overzichten per gemeente is te zien dat de verspreiding van het virus enorm snel ging als daar een z.g.n. “superspreading event (SSE)” had plaatsgevonden. Zonder dergelijke superspreading events verspreidde het virus zich vrij langzaam. En dat terwijl er toen nog geen enkele maatregel genomen was. Ik herhaal: geen enkele! 

Besef daarbij dat ook al bij onderzoek naar de SARS-uitbraak in 2003 door wetenschappers is vastgesteld dat dergelijke superspreading events voor meer dan 70% van de verspreiding van het SARS-virus in Singapore en Hong Kong heeft gezorgd.

Nadat Nederland rond half maart tot maatregelen besloot zagen we dat de snelheid van reproductie in veel besmette gemeenten geleidelijk afnam. Deels is dat te danken aan die maatregelen, maar deels ook aan het feit dat er geen bijeenkomsten/evenementen mochten worden georganiseerd.

Deze bevindingen van de eerste weken in maart geven aan dat de kans dat er weer een grote uitbraak komt als we maatregelen verzachten, heel erg klein is. Als we (grotere) bijeenkomsten vooralsnog maar verboden houden. Daarom kan de regering zonder grote risico’s al behoorlijk wat stappen nemen met het afbouwen van de genomen maatregelen. Aan het eind van het artikel ga ik daarop in en geef ik een aantal adviezen hoe we, zonder in een 1,5 meter-maatschappij te hoeven belanden, ons leven weer verstandig kunnen oppakken.

De bevindingen

Hieronder laat ik zien dat COVID-19 zich veel minder snel verspreidt op het moment dat er geen “superspreading events” meer zijn. Dit zou grote gevolgen behoren te hebben ten aanzien van de besluitvorming inzake de exitstrategie. Vooral omdat het ook toont dat de kans op een nieuwe uitbraak -bij de juiste keuze van maatregelen- vrijwel nihil is.

Het is belangrijk te beseffen dat er twee hoofdmanieren zijn hoe het virus van de ene mens naar de andere springt:

  1. Een niet besmette persoon komt op korte afstand in contact met virusdruppels die aan de mond of neus van een virusdrager zijn ontsnapt. Door WHO en RIVM wordt aangenomen dat als je op 1,5 meter afstand van een ander blijft en iedereen zich aan de instructies t.a.v. een goede persoonlijke hygiëne houdt, de kans dat je op deze manier toch besmet wordt, heel klein is. Daarnaast laat nieuw onderzoek zien dat de kans dat het virus via voorwerpen wordt overgedragen ook heel klein is.
  2. Een besmet iemand scheidt ook microdruppels uit (aerosols). Die kunnen blijven zweven en op die manier kan één besmet persoon vele anderen besmetten. In de afgelopen maand is er steeds meer informatie beschikbaar gekomen over grootschalige en kleinschalige bijeenkomsten, waar dit in sterke mate is gebeurd. Ik noem deze gebeurtenissen “superspreading events”. Een Canadese journalist heeft een interessant artikel geplaatst, waarin hij 58 van deze superspreading events heeft gedocumenteerd.

Al eerder heb ik beschreven hoe groot het effect van de superspreading events zijn op de verspreiding van COVID-19. Ik beschreef wat er gebeurd is rondom de wedstrijd van Atalanta Bergamo-Valencia op 19 februari  en wat er gebeurd is na een benefietavond in de Nederlandse plaats Kessel op 5 maart. Maar we weten ook van dit soort superspreading events in bijvoorbeeld Daegu (Korea), Madrid, Mulhouse, Kuala Lumpur en New Orleans (Mardi Gras). En onlangs zag ik ook op de televisie dat er op 25 januari in Wuhan nog een grote nieuwjaarsbijeenkomst was geweest.

De condities zijn dan blijkbaar dusdanig dat die kleine deeltjes van het virus lang in de lucht kunnen blijven en vervolgens veel van de aanwezigen besmetten. Het lijkt erop dat als er door de aanwezigen wordt gezongen de risico’s het grootst zijn, versterkt door slechte ventilatie en/of lage luchtvochtigheid. (Vergelijkbare patronen herkennen we ook bij massale besmettingen van passagiers op cruiseschepen, bemanning op marineschepen, en -helaas ook- bij bewoners van zorginstellingen).

Vandaag kwam ik een studie uit 2004 tegen over de verspreiding van het SARS-virus in 2003. Ook een coronavirus.  En daar is toen al vastgesteld dat meer dan 70% van de verspreiding van het virus door superspreading events komt. Ook geven zij aan dat het vermoedelijk veroorzaakt wordt door aerosols en dat de luchtventilatie er invloed op heeft!!

Rond 15 maart werden in Nederland de maatregelen genomen om de verspreiding van het virus te vertragen. Dat houdt in dat de effecten ervan vanaf 21 maart in de cijfers terug te vinden moeten zijn. De cijfers van daarvóór reflecteren dus de periode waarin we nog op een normale manier met elkaar leefden. Het virus had toen nog vrij spel.

Er zijn gelukkig cijfers beschikbaar van de ontwikkeling van het aantal besmettingen per dag per gemeente. Het is daarbij belangrijk om te beseffen dat het aantal aangetoonde besmette personen, overal ter wereld, een grote onderschatting is van het aantal echte besmettingen. In Nederland schat ik dat in werkelijkheid het aantal besmette personen een factor 50 groter is dan uit de test blijkt. (Dit is in lijn met de resultaten van een random onderzoek in LA County). Dat zou betekenen dat eind maart rond de 600.000 mensen in Nederland waren besmet (ruim 3%).

Hier treft u kaarten en grafieken aan met cijfers per gemeente. Die zijn afkomstig van het RIVM en mooi verwerkt door de Geodienst in Groningen en de Aletta Jacobs School of Public Health. Op basis van deze cijfers heb ik de analyses gemaakt die u hieronder ziet.

Ik wil dus dieper duiken in hoe de besmetting zich in Nederland verspreidde, vóórdat de genomen maatregelen impact hadden. Want daar kunnen we veel uit leren over wat we kunnen verwachten als we maatregelen gaan afbouwen. Het aantal besmettingen is door het RIVM per gemeente bijgehouden tot 30 maart jl. De laatste 9 dagen van die maand reflecteren dus de periode dat de maatregelen al effect zouden moeten hebben gehad op de verspreiding van het virus. De dagen ervóór niet.

‘R0’ is de belangrijke factor waarmee gerekend wordt bij een pandemie. De z.g.n. reproductiefactor geeft aan hoe snel het virus zich verspreidt. Bij influenza wordt een R0-waarde tussen 1,1 en 1,3 aangehouden. Over COVID-19 lijkt de consensus te zijn dat de R0 zonder enige maatregelen ergens tussen de 2.2 en 2.5 ligt. Als dat een tijd zonder wijzigingen het geval blijft is er sprake van een exponentiële groei. Door de genomen maatregelen half maart geeft het RIVM aan dat de R0 in Nederland, ergens eind maart, in de buurt van de 1 was komen te liggen en daarna verder naar beneden is gegaan.

De grote vraag is natuurlijk wat nu precies de risico’s zijn als maatregelen worden afgebouwd. Het mantra lijkt te zijn dat het zo maar weer mis zou kunnen gaan als we een verkeerde stap doen of te snel afbouwen. Maar hoe groot zijn die risico’s? Dat lijkt op dit moment pure speculatie te zijn.

Er is evenwel een manier om wat rationeler te kijken naar hoe groot de risico’s nu echt zijn. Want voor 15 maart hebben we gewoon een normaal leven geleefd en kon het virus zich dus optimaal verspreiden. Pas bij de waarnemingen vanaf 21 maart moeten de maatregelen effect hebben gehad.

Als je dan naar de cijfers van afzonderlijke gemeenten kijkt, dan zijn daar toch wel belangrijke aanwijzingen uit te halen over wat er zou kunnen gebeuren als we maatregelen zouden afbouwen.

Laten we ons eens richten op de gemeente Loon op Zand. Daar werd eind februari het eerste coronageval in Nederland vastgesteld.

 

(Deze grafieken zijn de cijfers per 100.000 inwoners. Voor ons doel zijn we vooral geïnteresseerd in de stijgingsfactor van de ontwikkeling in de tijd.

Begin maart waren er in Loon op Zand 4 virusdragers, allen in één familie. Op 21 maart waren het er 14.   In de laatste 9 dagen van de maand steeg het aantal besmette personen nog slechts  met een factor 2.   (Hierbij moet u steeds rekening houden met het gegeven dat een ontdekt besmet  geval in feite gemiddeld staat voor 50 besmette personen).

Ook in de gemeente Altena bij de Biesbosch was begin maart al één besmet persoon.

Na 21 dagen stond in Altena het aantal besmette personen op 22. In de laatste 9 dagen verdubbelde ook hier het aantal besmette personen. En ook dat wijst op een R0-waarde in de buurt van de 1,0.

Maar hoe komt het dan dat in maart het aantal besmette personen in Nederland wel exponentieel toenam?

Dat laat ik zien door in te zoomen op een aantal gemeenten waar evident een superspreading event plaatsgevonden heeft. Peel en Maas is daarvan een goed voorbeeld. In het dorp Kessel (ruim 4.000 inwoners) was op 5 maart een benefietbijeenkomst met meer dan 300 mensen. In dit blog heb ik het uitgebreid beschreven.

Het evenement was op 5 maart. Op 11 maart werden de eerste besmettingen in de gemeente geregistreerd en op 21 maart waren het er al 63.  Dus in 10 dagen is het aantal besmette personen gigantisch gestegen. Uitgaande van die 50 maal onderschatting van het aantal echt besmetten personen zou dat betekenen dat in die gemeente op 21 maart, 16 dagen na het event, al meer dan 3.000 personen in deze gemeenten (met een zwaartepunt in Kessel) waren besmet.  Maar tussen 21 en 30 maart steeg in deze gemeente het aantal besmette personen met nog maar iets meer dan een factor 2. En dat lijkt dus op de cijfers van Loon op Zand en Altena. Het effect dus van de maatregelen die rond 15 maart werden genomen!

Terwijl in Peel en Maas het superspreading event van 5 maart het startpunt was van de grote uitbraak, is dat in Uden zondag 1 maart geweest. Dat zien we in de grafiek hieronder. Vrijwel zeker is bij één of meer kerkdiensten iemand aanwezig geweest die op dat moment besmet was en meegezongen heeft.

 

Op 6 maart werd de eerste besmetting vastgesteld. Op 21 maart was het aantal besmette personen in Uden 76. Een stijging in 15 dagen met een factor 76. En ook in Uden zien we dat tussen 21 maart en 30 maart de stijging nog maar een factor 2 was.

Emmen is een gemeente, die een nog trager verspreidingsbeeld geeft dan Altena. Op 8 maart werd de eerste besmetting geconstateerd. Dus terwijl er besmette personen in Emmen waren die anderen konden besmetten waren er op 21 maart nog maar 4. Dus zonder enige maatregelen was er in Emmen met 100.000 inwoners slechts sprake van een hele lichte toename van het aantal besmette personen!!!

Hier zien we in de laatste 9 dagen wel een wat grotere stijging dan in de andere gemeenten. Het stijgt daar met een factor van 3,5. Eind van de maand had Emmen (via die vermenigvuldigingsfactor van 50) naar schatting 0,7% besmette personen in de gemeente, terwijl dat in Uden al 15% geweest moet zijn.

Ook als we naar andere gemeenten kijken is het effect van superspreading events duidelijk herkenbaar. Kerkdiensten op 1 en 8 maart en de biddag voor het gewas van 11 maart  lijken in die gemeenten met name de boosdoeners. Maar ik ben ook in kennis gesteld van uitbraken van het virus na koorrepetities of – uitvoeringen.

Hieronder een selectie van die gemeenten:

Ter vergelijking een aantal gemeenten die ook in de eerste 10 dagen van maart al een besmetting hadden, maar waar de verspreiding veel langzamer ging, blijkbaar omdat er geen superspreading event had plaatsgevonden.

Als je naar de ontwikkeling kijkt in grotere gemeenten, met 5 tot 20 keer zoveel inwoners dan die kleine gemeenten, dan wordt het door de wet van de grote getallen binnen die gemeenteneen soort mix van superspreading events en de “normale” verspreiding van mens tot mens. En die kan je daardoor niet meer apart herkennen.

In Tilburg (niet ver van Loon op Zand) was de eerste besmetting op 1 maart. Op 21 maart was het aantal 154. Dat zit zo ongeveer tussen de eerste groep gemeenten en de tweede groep gemeenten in. Het is dus uitermate waarschijnlijk dat ook in Tilburg tussen 1 en 8 maart via kerkdiensten, koorrepetities of feesten, superspreading events hebben plaatsgevonden.

Tussen 21 en 30 maart zien we ook in Tilburg een stijging van maar iets meer dan de factor 2. Breda vertoont, met een achterstand van enkele dagen, hetzelfde patroon als Tilburg.

Als je alleen naar de totaalcijfers in Nederland per dag kijkt, dan zie je wel een exponentiële groei tot aan eind maart. Maar als je naar de gemeenten afzonderlijk kijkt, dan zie je een veel genuanceerder beeld. Terwijl in de meeste gemeenten waar het virus al een tijdje rondwaarde, de stijging tussen 21 maart en 30 maart nog maar rond de factor 2 lag, was het voor heel Nederland een factor 2,8. En dat komt omdat er op half maart nog 120 gemeenten waren waar nog geen besmetting was vastgesteld en de meeste hiervan kwamen pas in het laatste deel van maart op stoom.

 

 

Conclusies

De bestudering van de ontwikkeling in de gemeenten tussen 1 en 21 maart laat zien dat superspreading events, toen er nog geen maatregelen golden, tot een heel sterke stijging van het aantal besmettingen hebben geleid. Maar dat als die er niet waren, dat dan, zonder enige maatregelen als social distancing en het verbieden van het bezoek aan de horeca, kappers, manicures e.d, die reproductiefactor een stuk kleiner is.

In dit blog heb ik uitgelegd waarom we bij griepepidemieën, de invloed van superspreading event niet of niet makkelijk kunnen herkennen. Maar bij COVID-19, met geen enkele historische immuniteit onder de aanwezigen, merk je een week erna direct dat die bijeenkomst een grote impact heeft gehad.

Als we alles weer zouden gaan doen, precies zoals voor 15 maart (iets wat ik absoluut niet propageer) en we zouden alleen bijeenkomsten van meer dan 3 mensen verbieden, dan alleen al zou de verspreidingsfactor dalen naar dicht bij 1. Voor de goede orde, dat is dus gewoon alles weer doen, zoals we voor 10 maart deden en dus zeker niet als “1,5 meter maatschappij”!

De Israëlische voorzitter van de “National Council for Research and Development”, een professor in de wiskunde, stelde vast dat overal in de wereld een vergelijkbaar patroon herkenbaar is.  De eerste 40 dagen een stijging en daarna een daling. Waarvan hij aangaf dat het erop leek dat die dan na een tijdje op nul uitkomt.

In discussies gaf hij aan dat hij daar geen verklaring voor had, maar het wel opmerkelijk vond dat het erop leek dat de maatregelen die men al dan niet genomen had, weinig invloed op die curve hadden. Waar hij ook keek zag hij min of meer hetzelfde patroon, ook in een land als Zweden.

Mijn analyse is de missende schakel in de bevinding van deze professor. Want er is één maatregel die wel vrijwel overal in de wereld wel is genomen:

Het verbieden van bijeenkomsten met een groter aantal mensen.

Vrijwel alle landen hebben, naast de maatregelen die ze hebben genomen (van een complete Lockdown, via een intelligente Lockdown, tot een wat vrijere aanpak als in Zweden), die maatregel genomen, waardoor de “superspreading events” (vrijwel) niet meer voor kunnen komen. Alleen daardoor al is de verspreiding van het virus aanzienlijk vertraagd. De andere maatregelen, die door regeringen worden genomen, duwt de R0 (ruim) onder de 1 en dat is het beeld dat die Israëlische professor overal in de wereld zag.

Dit zou grote gevolgen moeten hebben voor het beleid van regeringen en zeker ook de Nederlandse!

Zolang de bijeenkomsten met een groter aantal mensen verboden blijven, is de kans nul dat er weer een grote uitbraak komt van het virus “waardoor al onze inspanningen worden teniet gedaan” zoals Premier Rutte zei, op voorspraak van de leden van het OMT.

We zouden nu al stappen kunnen nemen, die de kans op nieuwe besmettingen kleiner houdt dan in Schagen, Zeewolde, Stichtse Vecht en nog vele andere gemeenten het geval was voor 21 maart van dit jaar.

Natuurlijk met slim beleid. Net zoals Duitsland verplichte mondbescherming in Openbaar Vervoer en winkels zou al een goede stap zijn weg van de volledig onnodige 1,5 meter samenleving, zoals ik hierboven heb aangetoond. Kappers, manicures, pedicures, schoonheidsspecialistes (met mondkapjes) kunnen dan zonder enig bezwaar weer aan de slag. Ook de horeca zou weer kunnen opstarten. Zeker op terrassen in de buitenlucht. Maar ook met wat extra voorzieningen binnen.

Ik denk zelf dat ook bewezen zal worden dat het overal buiten dragen van mondbescherming ook betekent dat we geen 1,5 meter afstand hoeven te houden. Oost-Azië wijst ons daarin de weg. En in Jena in Duitsland is men dat al een tijd aan het doen met hele goede resultaten.  Maar als we dat nog niet willen/kunnen, dan is de 1,5 meter afstand (behalve dus in openbaar vervoer en winkels) vooralsnog een goede keuze. En ouderen zijn inderdaad het meest kwetsbaar en die zouden vooralsnog voorzichtiger moeten zijn. (Ook hier is mondbescherming voor de ouderen zelf en hun bezoekers een verstandige keuze).

Er zijn inmiddels ook een aantal andere belangrijke lessen geleerd, vanuit die superspreading events. Die we ook nog moeten toepassen zolang het COVID-virus nog heerst.

Het is evident dat in besloten ruimtes waar vreemde mensen bijeenkomen, het risico het grootst is dat het virus zich via aerosols verspreidt. Een goede ventilatie en een luchtvochtigheid van 45% bij 20 graden is een extra voorzorg tegen die verspreiding via aerosols.

In kantoren, zorginstellingen en scholen is de wijze waarop de interne ventilatie en verwarming/koeling wordt geregeld een risicofactor. Ook hier zijn duidelijk aanwijzingen dat de aerosols zich via dat soort systemen, als die niet goed ingeregeld zijn, verspreiden. Waardoor denkt u dat op een marineschip 900 mensen zijn besmet? Niet doordat al die 900 zich binnen anderhalve meter hebben begeven van een besmet iemand, die daarmee anderen heeft besmet. Nee, het komt vooral door die zwevende aerosols.  Dat zelfde risico was/is er ook bij zorginstellingen. Doorgaans weinig buitenventilatie. Daar waar in een zorginstelling veel mensen zijn besmet, liggen twee oorzaken het meest voor de hand: kerkdienst of feestavond met veel bewoners van de instelling of de interne verwarming/ventilatiesysteem.

Hoewel het ongetwijfeld zo is dat kinderen minder kwetsbaar zijn bij de verspreiding van COVID-19 zou een dag op school ook kunnen uitlopen op een superspreading event.  Om dat te voorkomen moeten scholen het volgende doen:

  • Zoveel mogelijk ventileren en als het mogelijk is in de buitenlucht les geven.
  • De luchtvochtigheid in het gebouw naar het niveau brengen van 6 g/kg (dat is ongeveer 45% relatieve vochtigheid bij 20 graden Celsius). Op deze plek kunt u deze waarde uitrekenen.
  • Als de ventilatie en/of luchtcirculatie of vochtigheid, binnen de school niet goed is, het zekere voor het onzekere nemen en mondbescherming gaan gebruiken.
  • En zeker niet met de klas gaan zingen…..

Aan de hand van het bovenstaande is het heel goed mogelijk prima de balans te houden tussen de volksgezondheid en het belang van de economie en de maatschappij.

We moeten ervan af, dat we ongefundeerd bang worden gemaakt, dat het virus ieder moment weer kan uitbarsten, als we weten dat we de grootste bron van de verspreiding, de superspreading events, hebben verboden. Laten we met elkaar nu vooral de energie besteden om de samenleving weer snel en slim op te starten op basis van goede analyses en data en niet op basis van loze kreten.

Last but not least: er zijn vele aanwijzingen, dat als het warmer en vochtiger wordt, de verspreiding van het virus verder vertraagd wordt , o.a. in dit onderzoek door het lab van Homeland Security in de US. Niet dat daarmee het virus volledig verdwijnt. In het najaar worden die omstandigheden weer ongunstiger. Maar dan hebben we al veel meer geleerd (althans dat zou zo moeten zijn), om zo goed mogelijk een grote verspreiding van het virus, zoals het de laatste anderhalve maand is geweest, te voorkomen.

P.S. In het licht van mijn bevindingen, lijkt me de keuze van het verplaatsen van de vergaderingen in het Kamergebouw naar de oude veel kleinere Tweede Kamer zaal niet echt verstandig. Als daar de ventilatie en verwarmingssysteem niet optimaal is afgesteld dan lopen de aanwezigen in de zaal (zowel leden van de regering, van de kamer en de pers op de balkons), onnodige risico’s.  Hoewel de Kamerleden doorgaans niet gezamenlijk zingen, is het wel zo dat alle aanwezigen op enig moment spreken en als er iemand toch besmet zou zijn, dan kan hij of zij naast de druppels (die steeds keurig door de kamerbedienden worden weggehaald) ook aerosols verspreiden. In de grote zaal, lijkt dat minder tot risico’s te leiden.

 

There is a provable causal connection!

I remember well when in university I was first explained what a mock relationship is. In Denmark there was a strong correlation between the birth rate and the number of storks that had their nests there.

The explanation was that there are more storks in the countryside, where also more children are born than in the city. But of course storks do not bring babies.

A good lesson to realize that if certain things are numerically connected, it doesn’t have to be because there is a causal connection.  So if you find a numerical connection, then the next task is to find out if there is a causal connection. By changing one variable, the other one should change as well.

So I briefly go through the steps that have been taken and the evidence that has been found. With the links to where that information comes from.

A. There is a numerical correlation between the specific humidity and the number of deaths caused by COVID-19. This was already found in this study in early March. In the meantime, a statistical analysis of 69 areas in Italy, the US and the Netherlands has also been carried out. In this research report.

you will find the numerical analysis of those regions, which shows, among other things, that if the specific air humidity was between 4 and 6 g/kg on average in the previous 3 weeks, a region reached 1 death per million inhabitants per day, twice as fast as if that value was higher or lower. So the correlation has been established. But that does not mean a causal connection.

  1. Several scientists are giving explanations, which could lead to this. Two possible explanations that are given are:

In this article, Prof. Evengalista (microbiologist and virologist) gives this possible explanation:

 

And there is also this explanation suggested by a group of scientists mentioned in this article.

In the U.S., the government commissioned research at the University of Utah to investigate both possibilities in the lab. I hope they come up with their results soon. Personally, I think it’s quite possible that both statements are valid, but time will tell.

In 2013 there has been large-scale research, based on data from 48 locations around the world, into the relationships between the development of a flu epidemic at those locations and the weather. For each location, several years of information was used. The result of this research was, that based on the specific air humidity, it could be predicted with more than 80% accuracy, that there would be a flu epidemic one month later. This is the graph that shows this relation well. It can be found in this article.

We see as well, that there is a clear relation between the specific humidity (the grey columns) and the start of the flu epidemic (the black dot). And that the limit of 6 g/kg is really visible.

But this is still no proof that there is a causal relationship. Other factors may play a role as well.

D. Subsequently, evidence has been provided in various ways, that a viral infection can occur via micro drops in the air (aerosols). The Japanese chairman of the association of virologists shows this in a video. Ejected micro droplets remain in the air for a long time and can infect those present.  Here I report on it.

This would be an excellent explanation for the large-scale distribution (super spread events) at après-ski, carnival, large church gatherings, choir rehearsals, the distribution within care institutions (the air circulation system) and the distribution on cruise ships and navy ships. Incidentally, this is a way of distribution that is not (yet) recognized by the WHO and RIVM.

In that video, the Japanese professor indicates that ventilation is a good way to make these micro drops disappear.  Based on the previous three findings, it is now very plausible that humidity also has an influence, on whether or not those drops float for a long time. Prof. Evangelista (see point B) says this literally.

The final proof came from animal experiments in which it was established that animals that released the influenza virus, at varying levels of humidity, infect other animals and the extent to which they do so. Professors of micro-biology and virology in Switzerland and at Yale University have recently written an article in which they report on past experiments on air humidity and the spread of the influenza virus. I am reporting on this here. (I now have intensive contact with them).

Several researchers have conducted experiments with mice, guinea pigs and ferrets. Some of the animals were infected with influenza. The uncontaminated animals were separated from the sick animals. So there was no direct contact. So the only possibility of infection was through the air (micro drops).

In the experiment the infection of the other animals was measured at different humidity levels. The researchers found that there was a clear correlation between the air humidity and the degree of spread of the virus. This picture shows their findings.

These experiments demonstrate conclusively that there is a causal relationship between the humidity and the extent to which one can be infected with a virus via aerosols.

So the correlation found, mentioned under A, is not a mock correlation but a causal relationship: the degree of specific humidity has a direct influence on the speed of spread of the virus.

Nevertheless, there may also be other factors that influence the speed of the virus spreading. Many possibilities have been put forward: the vitamin D level of the population, the UV content of the sun, pollen in the air and the fact that one is more indoors in winter.

I don’t explicitly exclude those, but there might just as well be a mock correlation with humidity (as I think is the case with pollen). And it would be nice if also with regard to those alternative explanations an equally hard proof would come, as through the evidence given by me.

Because any well-founded knowledge of how the speed of the virus spreading is slowed down is an important weapon in this battle.

Er is bewijsbaar een causaal verband!

Ik kan me nog goed herinneren toen mij op de universiteit voor het eerst werd uitgelegd wat een schijncorrelatie is. In Denemarken was er een sterke samenhang vastgesteld tussen het geboortecijfer en het aantal ooievaars die er in dat gebied hun nest hadden. Lees meer