Varia 9 augustus 2020

Allereerst wil ik jullie melden dat ik overweldigd ben door zowel de financiële ondersteuning voor onze aanpak als de vele ondersteunende berichten die ik, mede naar aanleiding van die oproep, heb ontvangen. Het betekent ook een grote morele steun. Ik dank jullie zeer en het geeft weer de energie en de mogelijkheid om op volle kracht vooruit te gaan.

Varia

Met grote regelmaat krijg ik van lezers van dit blog vragen of interessante informatie toegestuurd. Het kan een link zijn naar boeiende informatie van ergens in de wereld. Of ze wijzen me op bepaalde zaken die hen opgevallen zijn.  Of komen met boeiende theorieën, soms geweldig onderbouwd.

Ik wil ze eens per week met u gaan delen. Het geeft hopelijk zowel meer reliëf aan wat zich aan het afspelen is met het virus en de reacties van overheden erop.

In de eerste aflevering vandaag:

 

  1. Het wonder van Dokkum: 14 mensen op een terras besmet!

In kranten als De Telegraaf en De Volkskrant stond vermeld dat in Dokkum 14 mensen buiten op een terras zijn besmet. Van vele kanten kreeg ik de vraag hoe dat te rijmen is met mijn stelling dat je buiten niet besmet kunt raken.

Zeker omdat in beide artikelen expliciet vermeld werd dat dit toch liet zien dat je buiten ook besmet kunt worden en je daar ook afstand moet houden. In De Telegraaf stond letterlijk:

“Volgens de regionale gezondheidsdienst toont de Dokkumer uitbraak aan dat het belangrijk is om ook in de buitenlucht genoeg afstand van elkaar te houden.”

Dagblad van het Noorden beschrijft de gebeurtenissen gedetailleerder:

 

 

Het deed me wat denken aan de volgende kop in De Telegraaf van een andere besmettingsketen:

Als je het artikel zelf leest, dan merk je dat de kop wat anders suggereert dan dat er echt gebeurd is. Via de lift zou deze vrouw een benedenbuurvrouw hebben besmet. En via één van haar contacten werd weer iemand anders besmet, die het virus vervolgens in het ziekenhuis aan een groot aantal anderen doorgegeven zou hebben. De lift was volgens de onderzoekers de enige schakel tussen de boven- en benedenbuurvrouw.

Zowel wat gebeurd is rondom deze besmette vrouw en de gebeurtenissen in Dokkum laat twee dingen eigenlijk goed zien:

  • Via contactonderzoek is het mogelijk om de bron te identificeren van iemand die besmet is geworden. Maar veel moeilijker is om aan te geven op welke plek het is gebeurd en hoe de overdracht is verlopen. Daardoor zie je dat iedereen daar vervolgens uit haalt, wat hij graag wil halen. In Dokkum “14 mensen in de buitenlucht besmet”,  “houd dus ook buiten 1,5 meter afstand”.

In het geval van de lift “de benedenbuurvrouw is besmet via de knoppen van de lift”.  Andere mogelijkheden worden dan niet geopperd (zoals wellicht via de ventilatie in het flatgebouw).  Het lijkt op premier Rutte die in navolging van het OM zeker wist dat rondom de wedstrijd Atalanta Bergamo-Valencia in Milaan de besmettingen wel in het stadion moeten hebben plaatsgevonden.

  • Juist het bovenstaande zou media extra voorzichtig moeten maken om dit soort informatie op een dergelijke manier naar buiten te brengen. En als informatie echt ongeloofwaardig is, daar dan zelf meer onderzoek naar te doen. Bij Op1 heeft Feike Sijbesma beweerd dat hij van een groot bedrijf gehoord had, waar 10 verder gezonde mensen tussen 45 en 55 jaar overleden waren aan COVID-19. Gezien de bekende sterftestatistieken rondom COVID-19 en de relatie met onderliggend lijden is dat -ook als het niet alleen in Nederland overleden personen zou betreffen- nogal onwaarschijnlijk.

Zoiets is dan belangrijk genoeg voor een journalistiek programma om dat op het moment zelf, via doorvragen, boven tafel te krijgen. Of er later in een uitzending op terug te komen. Dat is niet gebeurd.

 

Dat komt mede doordat de informatieverstrekking van de GGD in Nederland zo pover is. We horen nu wel het aantal besmette personen per dag, en iets over het aantal clusters. Maar juist als die informatie specifieker wordt verstrekt zou het burgers en journalisten meer reliëf geven over wat er echt aan de hand is.

Juist door over clusters heel specifieke en goed gecheckte informatie te geven, kan men mensen helpen om de juiste voorzorgen te nemen. Maar zoals het nu gebeurt kan iedereen er mee aan de haal gaan om burgers bang te maken (bijvoorbeeld voor het zitten op een terras of het drukken op een knop in een lift).

Daarnaast zal het zeker zo zijn dat BCO dat regelmatig contact heeft met besmette personen ook kan vaststellen hoeveel ervan symptomen hebben gehad. Die informatie verstrekken eens in de week naar leeftijd, geslacht en locatie besmettingen, zou ook bijdragen tot een beter inzicht in het vespreidingsproces.

(Jos Driessen heeft de berichtgeving over dit onderwerp nagelopen en heeft dit verslagje geschreven)

Terug naar inhoudsopgave

 

  1. Waar blijven de ziekenhuisopnames en sterfgevallen?

Er zijn nogal wat landen in West- en Zuid-Europa waar rond 1 juli het aantal nieuwe gevallen erg laag was en sindsdien wat zijn gaan stijgen. Spanje en België nog het meest. Nederland en Frankrijk ook, maar wat minder.  Alleen in Italië blijft het stabiel erg laag.

Het testregime in die landen lijkt qua aantallen per miljoen inwoners wel wat op elkaar.

Kijk je naar de ontwikkeling van het aantal sterfgevallen, dan zie je daar amper (nog?) stijgingen.  In deze grafiek treft u de cijfers van die landen. Het aantal geconstateerde besmettingen per miljoen inwoners en het aantal overlijdensgevallen.  Bij die tweede moet rekening gehouden worden met het feit dat de cijfers vanuit RIVM en vergelijkbare organisaties doorgaans lager zijn dan de oversterfte bij de bevolkingsregisters. En per land kan dat weer anders zijn.

Ik heb er Zweden nog aan toegevoegd, maar dat land heeft een ander patroon, en zit op dit moment op vergelijkbare cijfers als de vermelde 5 andere landen.

Bij de beoordeling van de stijging van het aantal gevallen moet u rekening houden met een toename van het aantal uitgevoerde testen in de afgelopen twee maanden.

Wat eigenlijk het meest opvalt is dat bij de sterfgevallen er niet hetzelfde aan de hand lijkt te zijn als bij het aantal geconstateerde besmettingen.

Het best kan dat getoond worden met Spanje als voorbeeld. Sinds 8 juli zien we een duidelijk stijgingspatroon. Per 10 dagen een verdubbeling van besmettingen. Van 9 per 1 miljoen een maand geleden, naar nu 80.

Op 3 april waren er in Spanje per dag 1.000 nieuwe overlijdensgevallen. Nu zijn het er 2 à 3, en er is (nog?)  geen stijging te zien. In België zien we iets vergelijkbaars, maar dan een week later. Ook daar zien we geen stijging van het aantal overlijdensgevallen. In Nederland gebeurt hetzelfde, maar ook weer een paar dagen later.

Als je naar Spanje kijkt, dan zie je dat eind maart-begin april de top van de sterfgevallen ongeveer 1 week na de top van het aantal nieuwe besmettingen viel. Op basis van ontwikkelingen in de andere landen is 12 dagen tussen die twee waarnemingen een wat veiliger maat. Maar als dat zo is, waarom zijn de sterfgevallen in Spanje dan niet rond 20 juli weer gaan stijgen?

Daar is nog geen hard antwoord op te geven. Ik verwacht over 1 maand wel. Maar het opsommen van de mogelijk redenen geeft tegelijk een indruk van wat zich bij besmettingen met COVID-19 aan het afspelen is en wat we wellicht in Nederland kunnen verwachten.

Ik som een aantal mogelijkheden op:

  1. Er worden nu vooral in eerste instantie jongeren besmet. Het duurt een tijdje voordat dan vervolgens de besmettingen bij de ouderen terechtkomen. En als dat gebeurt. dan zul je wel een forse stijging zien.
  2. Bij de sterftecijfers tijdens het hoogtepunt van de crisis zaten er veel sterftegevallen tussen van ouderen in zorginstellingen. (Dat was in vrijwel alle landen het geval). Door een combinatie van redenen gebeurt het daar nu veel minder, dus dat zorgt ervoor dat de sterfgevallen nog laag blijven.
  3. Doordat er enkele maanden geleden zo’n hevige uitbraak is geweest zijn er veel meer mensen die al in contact zijn geweest met het virus, waardoor die mensen niet besmet raken of minder ernstig ziek. (In landen/gebieden waar geen hevige uitbraak is geweest kan die, als de omstandigheden positief zijn voor het virus, alsnog ontstaan).
  4. Het lijkt erop dat COVID-19 nu minder ernstig toeslaat dan in maart. Dat kan doordat het virus langzamerhand muteert naar een minder ernstige variant. Of dat als je denkt dat de besmettingen vooral komen door inademen van aerosolen, dat gedurende de zomermaanden er minder/minder lang aerosolen in de lucht zweven en de virale doses lager zijn. En men minder erg ziek wordt.

 

Ik kan nu nog niet met zekerheid zeggen welke van deze vier van toepassing is. Het zou ook een mix kunnen zijn. Maar ook dan is het goed te weten welke het belangrijkste is.

Ik denk in ieder geval zelf dat het nog wel zo zou kunnen zijn dat de sterfgevallen wat gaan oplopen, maar we komen in deze landen niet meer in de buurt van de cijfers uit maart. Zelfs als het een kwart ervan zou worden, zou dat me zeer verbazen. (Dat kan alleen zo zijn als we over twee à drie maanden nog steeds denken dat de 1,5 meter afstand houden alleen zaligmakend is).

Terug naar inhoudsopgave

  1. “COVID-19 is oorlog, en het eerste slachtoffer is de waarheid”.

Met grote regelmaat ontvang ik meldingen van mensen die kennis hebben van wat er achter de schermen gebeurt over interessante gevallen. Meestal geven ze aan dat ze niet willen dat het naar buiten wordt gebracht, want dan vrezen ze dat het terug te herleiden is naar hen. Soms mag het wel en geef ik het door aan de media, die er dan wel eens wat mee doen. (Niet voor niets dat in Nederland het Huis van de Klokkenluiders zo bouwvallig is).

Ik zal een indruk geven van wat ik ontvang met inachtneming van de anonimiteit van de aanmelders. Ik formuleer het dan in algemene termen. Wel kan ik u verzekeren dat ik via extra vragen aan de betrokkenen of het checken van de informatie, er zeker of vrijwel zeker van ben dat de informant de waarheid heeft vermeld.

  • Zorginstelling in Maassluis.

Deze informatie is mij toegespeeld en EenVandaag en De Volkskrant zijn daarmee aan de slag gegaan. Woensdag is het naar buiten gekomen.  Zowel het RIVM als de zorginstelling hebben nadien een persbericht naar buiten gebracht dat het wat anders in elkaar zou zitten.

Daarna ontving ik diverse meldingen van achter de schermen, waardoor je beide persberichten daarover in twijfel kunt trekken.

Daar zitten de media momenteel nog achteraan gegaan en ik ben benieuwd wat daar uitkomt.

Het wijst er vooral op dat het -zeker ook bij het RIVM- om belangen gaat en niet om de waarheid (en we op basis daarvan kunnen leren om te voorkomen dat zoiets nog elders gebeurt).

  • Misstanden op de werkvloer

Bij herhaling kreeg ik dit soort meldingen. Waar werknemers op kwetsbare plekken het gevoel hebben niet goed door hun werkgever beschermd te worden en risicovol aan de slag zijn. En als het dan mis ging werden ze sterk onder druk gezet om er niet naar buiten mee te gaan. Ook hadden mensen kennis van veel slachtoffers in zorginstellingen (tot en met het overlijden van vrijwel alle bewoners van een bepaalde afdeling), maar die informatie moest en zou onder de pet gehouden worden voor de buitenwereld. Daarbij kreeg ik ook al vroeg van diverse medewerkers mails dat ze ook de indruk hadden -gezien de uitbraak in het hele huis en andere specifieke kennis- dat de besmetting via de lucht had plaatsgevonden en verspreid was door het ventilatiesysteem.

  • Belangwekkende onderzoeksresultaten.

Vanuit universiteiten kreeg ik meldingen dat men onderzoeken had gedaan op basis waarvan de onderzoekers conclusies trokken, dat de lijn die het RIVM had uitgestippeld ten aanzien van de bestrijding niet de juiste was. Maar dat die informatie -tot hun verbazing/afgrijzen- niet naar buiten werd gebracht.

  • Uitspraken van RIVM-medewerkers, OMT-leden of virologen/epidemiologen in de media.

Met grote regelmaat hoorde of las ik dan uitspraken waarvan ik wist dat die feitelijk onjuist waren of dat er -ondanks hun stelligheid- geen wetenschappelijke onderbouwing voor was. Waarvan men mij met regelmaat beschuldigde met “cherry-picking”, deden zij dat juist.

Ik heb een uitgebreide wetenschappelijke verantwoording geschreven waarin ik stel dat het overgrote deel van de besmettingen komt door aerosolen. Dat stond in diverse van mijn blogs en in deze brief aan het RIVM in voorbereiding van mijn gesprek.

In dit blog treft u het aan.

Ik heb zowel in dat blog als in die brief gevraagd of men in mijn richting iets vergelijkbaars kon maken ten aanzien van de onderbouwing van de verspreiding via direct contact en de 1,5 meter die we zouden moeten houden.

Geen enkele inhoudelijke reactie gehad.

En nu hoorde ik een vorige baas van het RIVM (Coutinho) in Nieuwsuur zeggen dat er ook geen wetenschappelijke onderbouwing voor is.

Toch is dat niet de indruk als je Van Dissel en consorten de afgelopen maanden hierover hebt gehoord.

Ik vraag me af of premier Rutte en minister Wiebes (die de 1,5 meter-samenleving feitelijk hebben ingesteld) dat ook echt op het moment wisten toen zij die keuze maakten.

Wisten zij dat hiervoor geen wetenschappelijk bewijs was?

En wisten zij dat de WHO 1 meter als afstand aanneemt (zoals het geval is in Italië, waar het op dit moment prima gaat)?

Als je gewoon de economische gevolgen doorrekent van de 1,5 meter afstand ten opzichte van 1 meter afstand houden dan is dat al heel groot. Maar met de stelligheid en de wetenschappelijke pretenties van de top van het RIVM en leden van het OMT denk ik dat noch premier Rutte, noch mnister Wiebes ooit hebben beseft dat een andere afstand dan 1,5 meter ook een reële optie was om als maatregel te treffen.

 

Juist in een oorlogssituatie is het cruciaal dat niet alleen de beslissers, maar ook de burgers er van op aan kunnen dat de informatie die zij krijgen juist is. Of dat bij twijfel ook gezegd wordt wat die twijfel is. Op die manier kunnen er betere beslissingen worden genomen en zullen de burgers die ook beter begrijpen en accepteren. Maar als zij merken of voelen dat er een loopje wordt genomen met de waarheid en er besluiten komen die gewoon onlogisch zijn, dan gaat het mis.

Terug naar inhoudsopgave

 

  1. Het verschil tussen dag en nacht

Ik heb een goed onderbouwd verhaal ontvangen waar ik me de komende tijd met een groepje verder in ga verdiepen. Het zou wel eens tot heel belangrijke aanvullende conclusies kunnen leiden over verspreiding van het virus en hoe dat goed kan worden gestopt.

Ik kom daar later zeker op terug.

Maar er is al een bevinding die ik zeer overtuigend vond en die ik met u deel.

Zoals ook al eind april vanuit een belangrijk instituut in de VS was geconstateerd, heeft zonlicht (UV-stralen) een funeste werking op de levensduur van het virus. Dus dat is ook een extra reden om zoveel mogelijk activiteiten naar buiten te brengen, en daar juist geen of weinig restricties op toe te passen.

In het verlengde hiervan werd geconstateerd en onderbouwd dat als het donker is dat effect logischerwijs buiten verdween, maar dat er ook een samenhang was met wat er in binnenruimtes (zoals kroegen e.d.) gebeurde.

Daarom wil ik deze conclusie van mij met u delen: “als het buiten donker is, dan zijn de gevaren om in binnenruimtes besmet te raken groter dan als buiten de zon schijnt.”

Te allen tijde is ventilatie belangrijk, maar ik acht het zeer waarschijnlijk dat overdag in besloten ruimtes, het aantal zwevende virusdeeltjes dat iemand kan inademen kleiner is dan ’s avonds (onder verder identieke omstandigheden).

Dat zou ook van invloed kunnen zijn op als je in de buitenlucht op korte afstand van elkaar face-to-face met elkaar spreekt (ik adviseer daar wel een afstand van 1 meter aan te houden of met elkaar te praten zonder dat je elkaar recht in het gezicht kijkt). Maar ook dat lijkt als de zon eenmaal onder is gegaan wat meer risico’s te geven dan als de zon schijnt.

Terug naar inhoudsopgave

Mocht u ons werk ook met een kleine donatie financieel willen ondersteunen klik dan hierop .

Nog een keer: relevante data gewenst

Bijvangst

Bij de publiciteit die gisteren ontstond naar aanleiding van de uitbraak in de zorginstelling in Maassluis trof ik een brokje informatie aan, dat ik nog niet had op basis van het vertrouwelijke document van het RIVM. Namelijk dat van de 17 besmette bewoners inmiddels 6 zouden zijn overleden.

Dat riep bij mij een vraag op met betrekking tot de informatievoorziening rondom besmettingen, ziekenhuisopnames en overlijdensgevallen, zoals het RIVM die nu wekelijks meldt.

Op de informatieve website van BDDataplan zocht ik naar informatie over die besmettingen en overlijdensgevallen in Maassluis.

Dit is het overzicht van het aantal besmettingen per gemeente:

 

En dit is het overzicht van Maassluis tussen 11 juni en 18 juli:

Aan de bovenkant zie je het aantal besmettingen. Dat is inderdaad een toename van het aantal besmettingen met 17 eind juni. De 18 van de verzorgers zie je niet, maar dat kan wellicht omdat ze elders wonen dan in Maassluis.

Ik zie een toename van 5 overlijdensgevallen tussen 29 juni en 15 juli. Of er inderdaad een zesde slachtoffer is kan uit dit overzicht niet gehaald worden.

Als ik op de website van het RIVM kijk zijn in die periode tussen 29 juni en 15 juli in heel Nederland 22 personen overleden in relatie tot COVID-19.

Dus bijna een kwart van de overlijdensgevallen in die periode kwam door de uitbraak in Maassluis.

Als het ventilatiesysteem in Maassluis beter had gewerkt, zouden er in die periode 17 personen zijn overleden.

Maar wat is er eigenlijk bekend van die andere 17?

 

Verzamel en presenteer meer relevante data

Van de weekcijfers van het RIVM (en de dagcijfers die door o.a. @mzelst en @edwinveldhuizen rond 14:15 uur op twitter worden geplaatst) weten we alleen de totalen en in welke gemeenten die hebben plaatsgevonden. Maar meer niet.

Bij het weekoverzicht van het RIVM zien we nog wel wat uitsplitsingen, maar die zijn ook niet echt eenvoudig te analyseren doordat ze tweewekelijkse waardes laten zien. Plus dat de informatie die gegeven wordt dusdanig globaal is en op zo’n manier wordt gepresenteerd, dat het eigenlijk weinig relevante verdiepingsmogelijkheden geeft.

Stel dat door het Offerfeest van afgelopen vrijdag de komende dagen het aantal besmettingen fors stijgt, dan is het relevant te weten dat het daardoor komt, omdat het tot andere conclusies kan leiden voor zowel besluitvormers als burgers. Maar als je amper extra informatie geeft houd je alleen een cijfer over, dat door iedereen vrijelijk kan worden geïnterpreteerd. (En doorgaans in de media wordt gebruikt om alarm te slaan).

 

Ik heb daar twee maanden geleden al een uitvoerig blog over geschreven met de (voor mijn doen toch wel vriendelijke) titel “Met een blinddoek op en watten in de oren wordt beleid gemaakt.”

Naast de wens om nu eens voor echt actuele data te zorgen (zonder correcties over de afgelopen weken), ging het mij om het verzamelen en presenteren van relevante data om echt inzicht te krijgen in wat zich aan het afspelen is.

Dan krijg je niet alleen de bruto cijfers, maar krijg je ook uitsplitsingen, inclusief verloop in de tijd, waardoor je beter begrijpt wat er aan de hand is.

Aan de hand van het advies dat ik toen gaf zal ik dit uitleggen.

Als iemand zich voor een test opgeeft, dan zou hij of zijn een vragenlijstje moeten invullen met daarin basisinformatie (zoals geslacht, leeftijd, postcode en beroep), de reden waarom men zich wil laten testen (iemand in de omgeving is besmet, vertoont symptomen, etc.) plus informatie over de geconstateerde symptomen. Ten slotte worden er vragen gesteld over het vermoeden waar en wanneer en in welk kader men het heeft opgelopen.

Zoiets is eenvoudig online af te wikkelen.

Iets dergelijks doe je dan ook bij ziekenhuisopnames (als het al niet was gebeurd bij de constatering van de besmetting) en bij overlijdensgevallen (als het al niet eerder was gedaan).

De uitslag van de test wordt nadien toegevoegd. En als die positief is dan worden ook nog specifieke resultaten van het BCO-onderzoek toegevoegd.

Dit gebeurt op een dusdanige wijze dat het volledig geanonimiseerd wordt zodra de relevante data binnen zijn.

Het doel is namelijk de cijfermatige analyse.

Als je het namelijk zo zou doen, dan krijg je een veel beter inzicht in het verloop van de besmettingen in Nederland. Hoeveel van degenen die zich hebben laten testen per dag/week hebben dat gedaan omdat ze symptomen hadden? Welke beroepsgroepen laten zich vooral testen? Hoeveel van de besmettingen zijn afkomstig uit hele specifieke situaties (uitbraak in een zorginstelling, in een kroeg of op een bruiloft)? Welke uitsplitsingen zijn er te geven ten aanzien van de vastgestelde data van degenen die in het ziekenhuis zijn opgenomen of zijn overleden? En ga zo maar door.

Dat zal in ieder geval twee effecten geven:

  • Het geeft de deskundigen meer handvatten/handvaten (MdH: beide mogen 😉 ) om te begrijpen hoe de verspreiding in Nederland verloopt en wat daar al dan niet aan gedaan kan worden.
  • Het geeft burgers een beter inzicht in wat de reële risico’s voor hen op dat moment zijn. Nu merk je dat louter het losse daggetal en de verschuiving ervan ten opzichte van de dag of de week ervoor, een eigen leven gaan leiden. De wijze waarop die in de media langskomen creëert bij nogal wat Nederlanders onrust, die wellicht voor hen op dit moment niet terecht is.

Als ik verantwoordelijk zou zijn voor het voeren van beleid, waarvan ik besef dat mijn beslissingen grote gevolgen kunnen hebben voor volksgezondheid, economie en andere facetten van de maatschappij, dan zou ik het onacceptabel vinden dat ik mijn beleid moet voeren met zulke beperkte, armetierige en vaak ook niet actuele data.

Terwijl het toch echt geen rocket science is om die data wel goed en gestructureerd te laten verzamelen. Maar dan moet je het niet laten doen door instanties als de GGD, die een heel ander specialisme heeft, maar dan moet je dat laten doen door specialisten in het verzamelen van goede data, op basis waarvan besluitvorming beter mogelijk is.

 

Herinnert u zich nog de film Airplane?

Zoals ik het nu zie lijkt het erop dat de piloten Mark en Hugo bezig zijn een zwaarbeladen Boeing 747 te besturen. Het vliegt door zware bewolking en in de verte zie je de bliksem, terwijl van de instrumenten alleen maar de kerosinemeter en de snelheidsmeter het doen. Ze hebben bij vertrek van de technici gehoord dat juist die meters een afwijking hebben van 50% naar boven en beneden. Ze zeiden daarbij nog “met 50% van de informatie kan je 100% van de beslissingen nemen”.  De radar was helaas al uitgevallen kort na het opstijgen…

Derde piloot Ferdinand loopt door de cabine om te kijken of de passagiers wel hun mondkapje op hebben. Hij bestudeert vooral “de chickies” aandachtig. “Jullie moeten 1,5 meter houden” roept hij nog, totdat hij bedenkt dat hij niet in het Vondelpark loopt, maar in een vliegtuig.

Purser Ab en stewardess Marion lopen gillend door de gangen om de passagiers te waarschuwen voor een volgende luchtzak. Ab heeft net nog tijd om via de boordradio de redactie van Op1 te melden dat hij de uitzending van die avond niet zal halen, maar de komende dagen er wel iedere dag weer hoopt te zijn. En boordwerktuigkundige Sjaak kijkt naar zijn instrumentarium en vraagt zich peinzend af of de data nu van de huidige vlucht zijn of van die van eergisteren.

Purser Wopke, die als passagier op deze vlucht zit, hoort de hele vlucht in zijn koptelefoon alleen maar het liedje “Wie zal dit betalen?” en heeft van ellende zijn slaapmasker maar opgedaan. En is nog steeds boos omdat ze bij het inchecken hem tussen twee Italianen hebben gezet.

Gelukkig komen de zuurstofmaskers naar beneden. Maar omdat het hoofd van de technische dienst Jaap nog met de handboeken werkt van een Cessna 140 uit 1948 was de zuurstofleiding helaas niet aangesloten.

Een moderne versie van de succescomedy “Airplane” uit 1980.

Ik wou dat dit bovenstaande alleen om te lachen was. Maar ik meen het serieus.

 

Gebruik de juiste specialisten

Als je na ongeveer 5 maanden in deze crisis nog niet geregeld hebt dat er wel goede data verzameld wordt en met de bevolking gedeeld, dan is het terecht dat steeds meer mensen vraagtekens plaatsen bij de kwaliteit van de data die wordt gepresenteerd en de kwaliteit van de besluitvorming door de regering. En dat laatste zal toch al automatisch gebeuren als we in het najaar pas echt de koude wind gaan voelen van de ontslagen en faillissementen door de besluiten die er tussen maart en nu zijn genomen.

Pak het nu eens echt professioneel aan. En besef bij het opzetten van het data-dashboard dat een belangrijke term is bij het werken met data “Gigo” . Dat betekent “Garbage in, garbage out”.

Maar heel af en toe bekruipt me het gevoel dat er mensen zijn die helemaal niet willen dat burgers een goed inzicht krijgen in de werkelijke ontwikkelingen. Laat staan dat ze echt geïnteresseerd zijn in het werk van mensen, zoals ik, die een bijdrage kunnen leveren, bij zowel het proces om te komen tot een goede besluitvorming als bij die besluitvorming zelf.

Wat sommetjes op de 1,5 meter

In het kort

Er wordt een berekening gemaakt hoe groot de kans op dit moment is dat je door een willekeurig iemand die je ontmoet in Nederland besmet kan worden via een “directe druppel” als je binnen de cirkel van 1,5 meter komt.  (Dit is volgens WHO/RIVM vrijwel de enige manier om besmet te worden).

De aannames zijn o.a. gebaseerd op de resultaten van het BCO-onderzoek in Nederland.

Die kans op besmetting in Nederland om besmet te worden via het getroffen worden door een directe druppel als je binnen 1,5 meter komt is op basis hiervan 1 op de 1 miljoen keer.

 

De opzet

Er zijn veel studies op internet te vinden waar louter via getalsmatige modellen geprobeerd wordt een beeld te geven van het onderwerp van studie.

Cruciaal is daarbij dat er dan aangegeven wordt van welke aannames en cijfers men uitgaat. Op die manier wordt de relatie inzichtelijk tussen de aannames en de uitkomsten. Met andere aannames komen er dus andere uitkomsten.

Ik wil ook zoiets doen nu. Dus op basis van de aangegeven aannames beschrijf ik het risico om besmet te worden door binnen 1,5 meter te komen van een besmet persoon en geraakt te worden door een druppel uit de mond of neus van die besmette persoon.

Met andere aannames zullen de uitkomsten anders zijn, maar ik denk dat wat ik wil aantonen niet zo zal veranderen.

 

Aannames

Via het bron- en contactonderzoek van de GGD blijkt het volgende (zoals uit dit rapport blijkt): van de huisgenoten van iemand die besmet bleek te zijn, die na oproep getest zijn in de laatste 5 weken, werd 15% besmet en 85% niet.

Dit soort cijfers zijn in lijn met contactonderzoeken uit een groot aantal landen die ook deze relatief lage cijfers laten zien.

Dat zijn dus mensen die in hetzelfde huis wonen/leven als de besmette persoon. Deze mensen zijn benaderd nadat de GGD had vastgesteld dat hun huisgenoot besmet was.

Een besmet persoon lijkt ongeveer 5 dagen zelf anderen te kunnen besmetten. Laten we even aannemen dat men thuis niet via oppervlaktes besmet is geraakt, maar alleen via die druppel(s) van de huisgenoot via het directe contact, zoals de besmettingen geschieden volgens de visie van het RIVM.

  1. Mijn aanname is dat die huisgenoten in die 5 dagen gemiddeld 45 keer binnen 1,5 meter zijn geweest van hun besmette huisgenoot.

Dus bij 100 huisgenoten zijn die 4.500 keer binnen die 1,5 meter geweest. 15 van de 100 zijn er besmet. Dus de kans om besmet te worden via een druppel, conform de opvatting van het RIVM is 15/4500= 0,33% (oftewel 1 op de 300 keer).

  1. In Nederland worden per dag nu circa 250 personen positief getest. Mensen zijn 5 dagen besmettelijk = 1.250 personen.

Maar laten we nu eens aannemen dat er in Nederland 10 keer zoveel mensen echt besmettelijk zijn= 12.500 personen.

Van die personen zal een deel zich niet buitenshuis begeven. Laten we aannemen dat 5.000 van hen dat wel doen.

Van alle Nederlanders is dat 5.000 gedeeld door alle Nederlandse inwoners, dus 17,3 miljoen. Dat is 0,029%, dus bijna 1 op de 3.500 personen die er in Nederland rondlopen, zijn dan besmet.

 

Eindberekening

Als ik de twee aannames met elkaar combineer dan kunnen we het volgende stellen.

We gaan uit van iemand die nog niet besmet is met COVID-19 en volgen datgene wat de WHO en RIVM stellen over het besmet kunnen worden via druppelcontact als je geen 1,5 meter houdt. (Want dat is immers het uitgangspunt van het 1,5 meter afstand moeten houden).

Elke keer als die persoon iemand ontmoet/passeert/tegemoet komt (binnen of buiten) gaat dan het volgende op:

  • 1 op de 3.500 van die personen is besmettelijk.
  • Als je -om de een of andere reden- binnen een straal van 1,5 meter afstand van die persoon komt heb je een kans van 1 op de 300 dat je dan zodanig getroffen wordt door een druppel met virus dat je besmet wordt.
  • Dat is dan 1 op de (300 x 3.500) = 1.050.000. Dus laten we zeggen: ongeveer 1 op de 1 miljoen keer.

Dus op basis van deze aannames en deze berekening kan je stellen dat als je nu in Nederland binnen de straal van 1,5 meter komt van een voor jou onbekend persoon, heb je een kans van 1 op de 1 miljoen keer dat je dan besmet wordt.

Dus als je de 1,5 meter wel respecteert is de kans volgens WHO/RIVM vrijwel nul. En als je -om de een of andere reden- op minder dan 1,5 meter komt is de kans 1 op de 1 miljoen keer.

 

Vanzelfsprekend staat het u vrij om die berekening met andere aannames te doen. Aanname 1 kunt u aanpassen (is het wel 45 keer?). Aanname 2 kunt u aanpassen (zijn het wel 5.000 personen?).

Ik denk dat de meesten van u ook zullen vaststellen dat de kans heel klein is dat u wordt besmet door binnen 1,5 meter afstand te komen van een besmet persoon.

 

Discussie

Het cruciale element van deze berekening is natuurlijk het gegeven dat mensen met een patiënt thuis relatief weinig besmet worden. Als dat percentage bij voorbeeld 75% was of hoger, dan zouden de uitkomsten heel anders zijn.

Ik beschouw deze exercitie als een onderbouwing van het feit dat de besmettingen met COVID-19 in overgrote mate niet gebeuren door besmetting via het directe contact met een druppel, omdat je binnen 1,5 meter komt. Maar dat die besmettingen vooral verlopen via het gedurende een -wat- langere tijd inademen van aerosolen met besmettelijk virus. In dit blog heb ik dat uitgebreid beschreven.

 

De reproductiefactor is een ratjetoefactor geworden

In het kort

  • De reproductiefactor die nu bepaald wordt is gebaseerd op het aantal besmettingen, maar houdt geen rekening met het grotere aantal uitgevoerde tests.
  • Ook worden er foute correctiefactoren toegepast die golden voor ziekenhuisopnames, maar niet zouden moeten gelden voor besmettingen.
  • Gezien de ontwikkelingen van de laatste dagen ligt de reproductiefactor eerder onder de 1, dan de 1,4 die nu gemeld wordt.
  • Op deze manier is het R-cijfer dat de RIVM meldt geen reproductiefactor, maar eerder een ratjetoefactor

 

Intermezzo

Alvorens op de reproductiefactor van 1,4 wordt ingegaan, zoals die gisteren is gemeld, even een ander interessant punt uit het wekelijkse overzicht van het RIVM van gisteren.

Bij het bron- en contactonderzoek van de GGD (BCO) werden per besmet persoon 3,5 nauwe contacten gedefinieerd: 1,3 in het eigen huishouden en 2,2 overige personen.  Van degenen die de afgelopen weken getest zijn (na een oproep) bleken in totaal 9% besmet te zijn. Onder de huisgenoten was dat 13% en onder de overige nauwe contacten 5%.

Als deze cijfers worden gecombineerd, dan besmetten dus ieder van de onderzochte personen uit het bron- en contactonderzoek slechts 0,31 anderen in de eigen kring met nauwe contacten.  Dat is in lijn met bevindingen uit andere landen bij onderzoek naar de zogenaamde secondary infection rate.

Als het echt zo is dat er een groter risico is dat je binnen 1,5 meter van een besmet iemand zelf besmet kan worden of dat je via overdracht van het virus via oppervlakten besmet raakt, dan is het onbegrijpelijk dat mensen die zo dicht verkeren bij een besmet persoon (zoals thuis het geval is), toch maar in zo beperkte mate worden besmet! Dat zou zeer te denken moeten geven over de stelling dat het besmetten van mensen vrijwel alleen geschiedt als je binnen de range van 1,5 meter komt van een besmet persoon en niet vaak genoeg je handen wast.

 

De reproductiefactor

Regelmatig horen we via de media het R0-getal langskomen. Dat is de reproductiefactor van COVID-19. Vorige week zou de waarde 1,29 geweest zijn en in het rapport van het RIVM stond gisteren dat het getal nu 1,4 is.

In de media wordt dan letterlijk gezegd “1 besmettelijk persoon infecteert op zijn beurt 1,4 anderen”.

Het grote probleem bij dit getal is dat je nooit het complete aantal besmettelijke personen op een bepaald moment in een land weet. Bij een groot deel is het namelijk niet bekend (men heeft geen symptomen en/of men is niet getest/heeft zich niet laten testen). Zo bleek een paar maanden geleden al uit onderzoeken in diverse gebieden in de wereld,  dat er toen tussen de 20 en 85 keer zoveel mensen besmet waren dan er via testen werden vastgesteld.

Men gebruikt een indirecte wijze om dat R0-cijfer vast te stellen. In Nederland heeft het RIVM gekozen om dat te doen op basis van de ziekenhuisopnames. Het R0-cijfer in Nederland werd berekend door het aantal ziekenhuisopnames van vandaag te delen door die van 4 dagen geleden. Dus als er vandaag 90 ziekenhuisopnames zijn en 4 dagen geleden 100, dan is de reproductiefactor 90/100 = 0,9.

Omdat die ziekenhuiscijfers in Nederland niet actueel zijn (en die van voorgaande dagen/weken/maanden vaak nog worden bijgesteld) is dat een tricky business. Het RIVM heeft daarvoor een soort formule ontwikkeld waarmee ze schatten hoeveel ziekenhuisopnames er nog bijgeteld zouden moeten worden. Daarnaast geven ze bij het weergeven van de reproductiefactor ook de marges..

Zo zag dat overzicht begin juni eruit. Bovenin de basisinformatie (ziekenhuisopnames per dag) en onderin de op basis daarvan berekende reproductiefactor.

 

Overstappen naar besmettingen

Toen de ziekenhuisopnames begin juni in de richting van nul naderden besloot het RIVM de reproductiefactor te gaan berekenen op basis van het aantal vastgestelde besmettingen, in plaats van ziekenhuisopnames.

Maar dat cijfer heeft weer een ander fors probleem. We kennen niet het echte aantal besmettingen in Nederland. Dat zal een bepaalde factor hoger zijn dan het aantal besmettingen dat feitelijk wordt vastgesteld. Ik schat die factor op dit moment ergens tussen 5 en 10, maar we weten het niet.

Maar het echte aantal door de GGD’s vastgestelde besmettingen hangt sterk samen met het aantal tests dat er uitgevoerd worden. Begin juni werden er minder dan 50.000 tests per week uitgevoerd. De afgelopen week waren dat al 110.000. 

Stel dat het percentage besmette personen steeds 1% van alle onderzochte mensen was, dan zouden we begin juni 500 besmette personen hebben gevonden en nu 1.100. Maar in werkelijkheid is er dan geen reden om dan aan te nemen dat het echte aantal besmette personen onder de bevolking gestegen is.  Als in die periode van 60 dagen elke dag 1.000 meer mensen getest zijn (en dus steeds 10 mensen meer gevonden worden die besmet waren), dan zou de berekende reproductiefactor onterecht voortdurend in die periode boven de 1 hebben gelegen, terwijl die dan in werkelijkheid op exact 1 had moeten blijven liggen.

Er zit nog een complicerende factor bij het aantal gevonden besmettingen, en dat was de afgelopen week goed te zien. Via het bron- en contactonderzoek van de GGD (BCO) worden personen die contact hadden met besmette personen, opgeroepen zich te laten testen. Die personen leveren gemiddeld 15% besmettingen op.  Hoeveel van die personen deel uitmaken van de geteste personen in een week beïnvloedt ook weer het totaal aantal gevonden besmette personen.

De vorige weken was ruim 10% van de gevonden besmette personen het gevolg van de oproepen van de BCO. De afgelopen week was dat bijna 20%.  Van de meer dan 1.300 opgeroepenen uit die groep was bijna 15% besmet. Van de personen die zelf hadden besloten om zich te laten testen, was 0,9% besmet.

De uitslag per dag van het aantal besmettingen hangt dus enerzijds af van het aantal testen dat per dag wordt uitgevoerd en anderzijds van hoeveel personen zijn getest ten gevolge van een oproep van de GGD. Het totale aantal besmettingen dat per dag wordt vastgesteld zegt eigenlijk niets als je die informatie niet hebt. Stel (even theoretisch) dat morgen 2 keer zoveel mensen worden getest dan verdubbelt het aantal besmette personen. Stel dat de komende week er twee keer zoveel mensen zich laten testen ten gevolge van het BCO-onderzoek, dan neemt het aantal besmette personen ook met 200 toe.

Dus een reproductiefactor gebaseerd op het aantal geconstateerde besmettingen zegt op deze manier niets. En als er dan wordt gezegd dat de reproductiefactor nu 1,29 of 1,40 is, dan is dat net zo een onzinnig cijfer dan als ze 1,8 of 0,7 gezegd hadden.

Onterechte kunstmatige verhoging van het aantal besmettingen

Maar er is nog meer aan de hand als u dat cijfer hoort. Dat blijkt goed als u naar het rapport van gisteren kijkt:

 

Rechtsboven ziet u vanaf 11 juni in blauwe staafjes het aantal besmettingen per dag. Sinds 6 juli lopen die geleidelijk op. De groene lijn erboven is de omrekening van de blauwe staafjes naar de eerste ziektedag.

Nu was het zo, en dat is aan de linkerkant te zien van de bovenste grafiek, dat men daar via de ziekenhuisopnames de eerste ziektedag inschatte (dat was de rode lijn).  Die ligt bij ziekenhuisopnames gemiddeld 10 dagen voordat men opgenomen wordt.

De groene lijn (op basis van geconstateerde besmettingen) zou minder dan 10 dagen eerder moeten worden geplaatst. (Want besmettingen stelt men gemiddeld na 5 à 6 dagen vast). Hoe men dan bij die grafiek op 15 juli boven de 200 uit is gekomen is vreemd. Want de eerste dag dat in Nederland meer dan 200 mensen positief werden getest was 25 juli en een dag later waren het er 144. (Daarbij worden de mensen die in het buitenland zijn besmet er weer van afgetrokken, dat zijn de kleine gele staafjes, gemiddeld circa 20 per dag). Dus hooguit zou men voor het eerst rond 20 juli op 200 moeten staan.

Maar het absolute aantal van de groene lijn is ook hoger dan wat de blauwe staafjes in de dagen erna laten zien (minus de gele die er nog afgetrokken zouden moeten worden).

De enige verklaring die ik hiervoor kan vinden is de volgende:

  • Voor 11 juni werd in het model met ziekenhuisopnames gewerkt. En daar zat een belangrijk probleem bij. Want die ziekenhuisopnames waren vaak niet actueel. Regelmatig kwamen er nog meldingen binnen van oudere dagen. In het model voor de berekening van de R0 werd dus een schattingscijfer opgenomen voor het aantal nakomende ziekenhuisopnames.

Zo staat het ook letterlijk in het weekrapport vermeld.

Klaarblijkelijk heeft men, toen men is overgegaan naar besmettingen als input voor de reproductiefactor, gewoon net gedaan alsof het ziekenhuisopnames waren. Dus de datum van besmetting nog steeds 10 dagen teruggeplaatst, plus nogal wat extra besmettingen bijgeschat. Daarom zien we op 15 juli al het cijfer dat boven de 200 ligt. Kortom: het aantal besmettingen waar de reproductiefactor mee rekening houdt, is een overschatting van het echte aantal besmettingen. Bij een stijging van de geconstateerde besmettingen (die ook nog -ten dele- toegeschreven kunnen worden aan het grotere aantal testen en het grotere aandeel van de opgeroepenen voor het BCO-onderzoek) wordt dus de reproductiefactor kunstmatig en compleet onterecht verhoogd!

 

En ook nog gedateerd

Nog een gevolg van deze benadering is dat de reproductiefactor van 1,4 die nu bekend is geworden, de situatie is die volgens dit model voor 9 juli is bepaald. Dat is dus 3 weken geleden. Kijk nog maar eens op de grafiek.

Dat cijfer kent dus meerdere problemen:

  • Het is dus gebaseerd op het aantal besmettingen, niet gecorrigeerd op het aantal uitgevoerde testen of het aandeel mensen dat zich liet testen na een oproep ten gevolge van het bron- en contactenonderzoek.
  • Het aantal besmettingen is duidelijk verhoogd op basis van de correctiefactoren die men heeft gebruikt bij de ziekenhuisopnames wegens vertraging van de registraties. Die vertraging zit niet in de cijfers van de besmettingen, zeker niet omdat die per week worden gerapporteerd.
  • Qua datum wordt nog steeds het moment van besmetting gebaseerd op het ziekenhuisopnamemodel. Dat plaatst die besmetting 10 dagen terug en bij geconstateerde besmettingen zouden dat minder dagen moeten zijn.

 

Een ratjetoe

Terwijl we inmiddels weten dat het aantal besmettingen per dag vrij stabiel blijft (terwijl het aantal testen vrijwel zeker nog verder toeneemt) en dat een indicatie zou horen te zijn dat de reproductiefactor (voor wat die berekening nu ook waard is) eerder onder de 1 dan erboven zou moeten liggen, komt nu in het nieuws dat die reproductiefactor op dit moment 1,4 bedraagt.

Gelukkig heeft het RIVM gisteren de absolute toename gerelativeerd, maar de meeste mensen horen toch “verdere toename van het aantal besmette personen” en “de reproductiefactor is inmiddels 1,4”.

Want dat is ook wat er in het nieuws wordt gezegd, waarbij -als er al een relativering wordt aangebracht- die er pas na een tijdje komt.

 

Misschien ook wel goed om te weten dat op dit moment het aantal ziekenhuisopnames en overlijdensgevallen circa 1% is van de cijfers die we hadden rond 1 april. Dat zou ook een relativering mogen zijn die we met regelmaat zouden moeten horen.

Maar men presenteert liever deze nietszeggende reproductiefactor die ik, gezien het bovenstaande, liever de ‘ratjetoefactor’ noem.

 

Hieronder trouwens nog de 9 grafieken van het RIVM-rapport die een beeld geven van de ontwikkeling van het aantal testen en gevonden besmettingen per categorie in de afgelopen weken. Dat geeft mij in ieder geval een wat evenwichtiger beeld van de ontwikkelingen rondom de besmettingen in Nederland.

Een aanzet tot kwantificering van de invloed van de aerosols

Het slakkentempo van de WHO

De sleutelvraag is niet of er al dan niet besmetting via de lucht plaatsvindt, maar welk deel van alle besmettingen dat uitmaakt. Het zal duidelijk zijn dat de WHO/RIVM en anderen, die eerst de besmetting door de lucht van weinig tot geen importantie vonden, nu hooguit bereid zijn te erkennen dat het wellicht enige importantie heeft. Maar het gaat niet van harte en het moet en zal slechts een klein deel zijn.

Kijk maar wat er in de Q&A sinds een paar dagen op de site van de WHO staat:

Om tranen van in je ogen te krijgen. Dit is dus wat de WHO hierover zegt 5 maanden na de grootste wereldwijde uitbraak van een virus in de hedendaagse geschiedenis. Het lijkt sterk op de reacties in Nederland van de meeste virologen en epidemiologen. Ze blijven, althans in het openbaar, dicht bij het standpunt van WHO/RIVM.

 

Het vinden van het door jezelf verborgen Paasei

Maar er zijn ook journalisten die op deze manier opereren. Als je ziet hoe bijvoorbeeld Maarten Keulemans gisteren zondigde tegen basale logica, dan snap je dat het niet gaat om wetenschap, maar om gelijk krijgen. Ik ga er wat dieper op in omdat het zo typerend is voor de kwaliteit van de discussie.

Dit schreef hij gisteren in De Volkskrant:

In zijn artikel is dus beschreven dat meer dan de helft van de besmettingen die men in Nederland bij het contactonderzoek sinds 4 mei kon herleiden, plaatsvonden in de thuis- en de werksituatie. (Die laatste zullen met name besmettingen zijn geweest in de vlees- en visindustrie).

Maar wie zegt dat die besmettingen niet voor een deel -of in zijn geheel- via de lucht plaatsvonden?  En ook thuis is het toch mogelijk dat een besmetting via de lucht verloopt in plaats van via druppel contact. Waarom zou dat exclusief gebeuren tijdens een bijeenkomst in bar, kerk, etc.?  En waarom zouden er na het hoesten van een patiënt thuis, geen virusdeeltjes kunnen gaan zweven, die op een gegeven moment tot de besmetting van een huisgenoot kunnen leiden?

Ik zeg dus niet dat het thuis zeker via de lucht verloopt, maar men kan evenmin met zekerheid zeggen dat het niet zo is.

Kortom Keulemans vond zijn door hemzelf verborgen paasei via deze redenering: ik ga ervan uit dat thuis de besmetting alleen verloopt via direct contact. En op basis van die aanname zeg ik dus dat er geen aerogene besmettingen waren…..

 

Het centrale probleem bij de discussie over de invloed van ieder van de besmettingsvormen is, dat eigenlijk alle studies die ik tegengekomen ben slechts partieel bewijs leveren. Waarbij het gevaar is dat Keulemans zo goed illustreert: je ziet alleen wat je wilt zien.

Dat wordt ook zo mooi geïllustreerd door de uitspraken van RIVM, OMT en premier Rutte: in het addendum van het OMT van 25 mei staat letterlijk: “De genomen maatregelen zijn gericht op het vermijden van virusoverdracht door grote druppels, en de maatregelen hebben effect. Als coronavirus aerogeen verspreid zou worden, dan hadden de 1,5 meter afstandsmaatregelen geen effect gehad.”

Men vergeet daarbij dat er meerdere maatregelen genomen zijn. Zoals het verbieden van bijeenkomsten. Het zou kunnen zijn dat die ook een rol hebben gespeeld of zelfs de belangrijkste rol of misschien zelfs de enige rol.

 

Mijn conclusies

Juist omdat ik als buitenstaander via data-analyses de verspreidingspatronen van het virus probeerde te verklaren, had ik geen vooringenomen of uitgesproken ideeën over de besmettingsvormen. Ik vond alleen dat de gevonden patronen simpelweg niet pasten bij het louter verspreiden van het virus via grotere druppels en voorwerpen.

En ik zag al gauw in verschillende studies dat er diverse infectieziektes waren waar de besmetting louter via de lucht verliep. Maar ook dat er al heel lang wetenschappers waren, die wezen op het verspreiden van influenza via de lucht. Zoals deze en deze en deze en deze. En ook bij SARS in 2003 is dat door nogal wat wetenschappers beweerd. (1 , 2).

Het meest opvallende was deze vondst op de website van het RIVM onder de richtlijnen influenza.

Lees nog eens goed wat hier staat ten aanzien van subtypes influenza-A!

COVID-19 lijkt ook voornamelijk huis te houden in de lagere luchtwegen (de longen). Waarom men met deze kennis over influenza op de website van het RIVM zo star vasthoudt aan de verspreiding van COVID-19 via grotere druppels kan ik niet uit de onderbouwingen halen van de WHO of het RIVM.

Die discussie leek door de jaren heen op een geloofsstrijd (zoals tussen de katholieken en protestanten) in plaats van een wetenschappelijk discours. Waarbij in mijn ogen aanvankelijk vooral de wetenschap het slachtoffer was. Maar inmiddels lijdt de hele wereld eronder met kolossale gevolgen, zoals we dat in de afgelopen maanden al hebben gezien en -helaas- de komende jaren met vervolgschade in nog sterkere mate zullen zien.

Helaas ben ik dus niet al te optimistisch over de wijze waarop de WHO/RIVM gaan schuiven in de richting van de mate van belang die men aan de aerosolbesmetting hecht. Kijk nog maar eens in Noord-Ierland rond hoe katholieken en protestanten ook nog vandaag de dag tegenover elkaar staan.

 

Ik ben net op een nieuwe studie gestuit die mij meer richting geeft bij het inschatten van het belang van de verschillende besmettingsvormen, die nog meer wijst op het grote belang van de aerosole besmetting ten opzichte van de besmetting via de druppels.

Aan het eind van dit stuk zult u die cijfers aantreffen.

Voordat ik die studie bespreek beschrijf ik kort wat ik de belangrijkste bevindingen vind ten aanzien van de verspreiding van COVID-19, die ik de afgelopen maanden ben tegengekomen en in mijn blogs heb beschreven. Via de inhoudsopgave en de zoekmogelijkheid op deze site kunt u die terugvinden.

  • Een heel groot deel van de besmettingen in de wereld vond voor de lockdown plaats via superspreading events.
  • COVID-19 volgt grotendeels het verspreidingspatroon van influenza over de wereld.
  • In huizen met een patiënt werden er beduidend minder huisgenoten besmet dan je zou denken, op basis van het veronderstelde gevaar van besmetting binnen 1,5 meter en via voorwerpen.
  • Op basis van de verspreidingspatronen en de uitgevoerde onderzoeken is de kans dat je via oppervlaktes met COVID-19 besmet wordt vrijwel nihil.
  • Als men bij een superspreading event wordt besmet, dan heeft men beduidend meer symptomen dan als men thuis wordt besmet. En ook zijn er veel minder mensen zonder symptomen.
  • Een fors deel van degenen met antistoffen in het bloed hebben geen symptomen ervaren.
  • Als men via druppels het virus in de neus krijgt, betekent het nog niet automatisch dat iemand dan zeker geïnfecteerd raakt.
  • Als men het airborne virus via inademing in de longen krijgt, dan wordt men daar zieker van dan als het via een druppel in de neus komt.
  • In alle situaties is het zo dat er een minimum aantal virusdeeltjes nodig is om geïnfecteerd of ziek te worden. (“Viral load”).

 

 

De verhouding tussen besmetting via grotere druppels en via aerosoles

De sleutelvragen zijn dus:

  • Hoe komt het virus bij iemand binnen? Bij verschillende virusziektes is dat anders. (Bij HIV is dat heel anders dan bij influenza). Er zijn maar een paar plekken op/in het lichaam, waar dat dan tot een infectie leidt.
  • Als het op de “juiste” plek binnen is gekomen, dan betekent het nog niet dat je daar zeker door besmet raakt. Het gaat dan vooral om de hoeveelheid van het virus en de wijze waarop je lichaam het virus probeert de verwijderen. Daar zijn meerdere methodes voor.
  • En als je wel geïnfecteerd raakt, is de vraag hoe ziek je ervan wordt. Er zijn mensen die het niet merken (asymptomatisch) en mensen die er erg ziek van worden en dood aan gaan. Helaas kennen we daarvan de echte percentages nog niet en die zijn heel erg afhankelijk van de leeftijd van de geïnfecteerde persoon. Maar wereldwijd komen we nu cijfers tegen die ergens tussen de 0,1 en 0,5% liggen.

 

Het gaat dus om de verhouding tussen de besmettingen via grotere druppels en via aerosols.

Een recente studie geeft in dat kader zeer belangwekkende informatie. Dit is de samenvatting van de resultaten:

De belangrijkste resultaten van deze studie zijn, zoals het staat beschreven boven het artikel:

  • Hoe kleiner de uitgeademde druppels zijn, hoe besmettelijker de korte afstand airborne route is.
  • De snelheid van het uitstoten heeft een significante invloed op de afstand die een druppel aflegt en de verandering van de omvang ervan.
  • De grote druppel route is alleen dominant als de personen binnen 20 cm van elkaar zijn bij het spreken, of 50 cm wanneer er gehoest wordt.
  • De grote druppel route draagt slechts 10% bij aan de blootstelling als de druppels kleiner zijn dan 50μm als men zich face-to-face 30 cm ten opzichte van van elkaar bevindt.

Ook dit is een studie gebaseerd op een model met bepaalde aannames. Want hoeveel virussen bevatten de druppels met verschillende groottes? Wordt men al dan niet besmet als men die druppel binnen krijgt en hoeveel virussen zijn dan minimaal nodig? Maar het is in ieder geval een steviger onderbouwing dan die ik tot nu toe over de grote druppels heb gevonden en de 1,5 meter.

Deze andere studie is evenwel de eerste die een poging doet om te kwantificeren hoeveel virus je via aerosols binnen moet krijgen om besmet te raken. Dat is afhankelijk van het aantal virusdeeltjes in de lucht en de tijdsduur van het inademen. Het sleutelbegrip daarbij  is “quanta”. Het is complexe materie, maar als je de studie leest is het goede nieuwes dat je bij aerosoles niet na een of twee keer ademhalen besmet raakt. Het hangt af van hoeveel aerosoles er in de lucht zijn en hoe lang je in die omgeving verkeert. Uit die studie is op te maken dat het in veel gevallen wel eens veel meer dan tien minuten moet duren.

 

Bij dit alles vond ik deze uitgebreide bron over verspreidingsvormen en het belang van aerosoles zeer leerzaam. (Het zijn wel meer dan 10.000 woorden, maar als je een keer tijd hebt zou ik het echt lezen.)

Het vinden van de juiste balans

De grote uitdaging voor de wereld is om enerzijds ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk nieuwe mensen ernstig ziek worden door dit virus, en dat anderzijds de schade aan de samenleving (economie, sociaal, volksgezondheid, etc.) tot nul wordt teruggebracht.

Er is helaas altijd een balans nodig. Via een complete lockdown zullen zo min mogelijk nieuwe mensen ernstig ziek worden, maar is de schade aan de samenleving kolossaal.

Ten aanzien van allerlei risico’s in onze samenleving maken we zo’n soort afweging. We hebben meer dan 600 verkeersdoden in Nederland. Als we de maximum snelheid naar 30 km/uur op de snelwegen verlagen neemt het aantal doden met, laten we zeggen, 200 af.
Dus door 100km/uur als maximum snelheid te handhaven accepteren we die 200 extra doden. Of we geven mensen de ruimte om te roken, terwijl het aantal doden daardoor op -veel meer dan- 10.000 per jaar wordt geschat.

We beseffen inmiddels dat nationale lockdowns een veel te grote schade opleveren. Zelfs locale lockdowns moeten vermeden worden. Maar ook is het noodzakelijk dat burgers goed kunnen inschatten welke risico’s ze echt lopen en waar dat vooral is. Omdat het hen anders in hun gedrag (sterk) beperkt, met zowel nadelige gevolgen voor die persoon zelf, als voor de samenleving  (economische, sociaal en volksgezondheid).

Voor slimme maatregelen zullen we moeten weten op welke wijze men echt besmet kan worden, hoe groot de risico’s op besmettingen zijn op diverse locaties en wat er gedaan kan worden om die risico’s te verlagen. Zowel op individueel niveau als wat betreft de omgevingsfactoren.

De opstelling van de WHO/RIVM is dat het vrijwel alleen gebeurt via grote druppels en direct contact. 1,5 meter afstand houden, je handen wassen en in je elleboog hoesten is niet alleen eendimensionaal, maar wordt niet onderbouwd met empirisch onderzoek. Steeds meer onderzoek laat zien dat er veel meer aan de hand is.

Om dat vol te kunnen houden, kunnen WHO/RIVM dan ook alleen maar stellen dat mensen, als het toch weer mis gaat, zich dus niet aan die 1,5 meter afstand hebben gehouden. (De ultieme cirkelredenering).

 

Die eendimensionaliteit is volgens mij de reden dat het virus wereldwijd niet onder controle wordt gekregen. En dat in Europa, ergens tussen oktober en december, het virus weer gaat toeslaan op dezelfde manier als nu in Melbourne het geval is. Terwijl er een maand geleden in die staat Victoria nog maar een paar nieuwe gevallen per dag werden ontdekt, is dat nu al weer gestegen naar 300. Daardoor heeft men een lockdown ingesteld van de gehele staat met ruim 6 miljoen inwoners!

Op basis van alle studies die ik gelezen heb, geef ik wetenschappers een voorzetje met een zogenaamde “best guess” van het belang van de verschillende besmettingsvormen en hoe je daar de risico’s kunt minimaliseren.

Ik denk dat we met deze “best guess” in de wereld veel verder komen met het bestrijden van het virus en het in stand houden van onze samenleving.

Ik hoop op een betere versie van deze “best guess” op basis van de input van deskundigen met een open mind voor alles wat beschikbaar is. Dus niet op basis van vooringenomen posities. Want hoe dat eeuwenlang gegaan is met de strijd tussen katholieken en protestanten kennen we maar al te goed.

 

Mijn best guess is:

  • 75 % van alle besmettingen gebeurt bij zogenaamde (super)-spreading events. Dat zijn bijeenkomsten waar 5 of meer aanwezigen besmet worden. Die vinden plaats in gesloten ruimtes met weinig tot geen frisse lucht. Hieronder vallen ook besmettingen die via een HVAC-systeem verlopen, waarbij de virusdeeltjes over alle ruimtes van het gebouw/complex worden verdeeld. Ik schat dat daar meer dan 99% van deze besmettingen via aerosoles verloopt.
  • De overig besmettingen vinden als het ware per persoon plaats. (Met soms meer dan één tegelijk). Dat kan op drie manieren:
    • Je krijgt een druppel van een besmet persoon in je neus/mond/ogen. Dat kan gebeuren bij hoesten/niezen en praten, maar alleen op zeer korte afstand.
    • Bij het hoesten/niezen/praten van een besmet persoon en je bent op korte afstand, dan adem je een tijd de aerosols in die daarbij vrijkomen. 
    • Je verkeert een tijd alleen of met een klein aantal mensen in een ruimte waar er aerosols in de lucht zijn gebracht door die ene patiënt, en je raakt besmet.

Het is natuurlijk zo dat in zorgsituaties (ziekenhuis, zorgcentra) het bovenstaande relatief vaker voorkomt dan in een normale thuissituatie.

Mijn best guess voor deze drie varianten (dus beredeneerd vanuit het aantal besmette personen) is:

  • Via een druppel van een besmet persoon in je neus/mond/ogen schat ik op 2%.
  • Door het een tijdje inademen van aerosols op korte afstand schat ik op 8%.
  • Door het een tijdje inademen van aerosols gedurende een tijd schat ik op 15%.

Op basis van deze best guess kom ik één van de komende dagen met een document, waarbij iedereen kan aflezen wat te doen in specifieke situaties op basis van het feitelijke risico en de risico’s die je bereid bent te lopen.

Daar hebben we veel meer aan dan de 1,5 meter-doctrine, zoals ik in dit stuk al heb laten zien.

Wat veroorzaakte de daling van de reproductiefactor?

Bij de presentatie aan de Tweede Kemer van 25 juni werd door prof. Van Dissel een grafiek getoond van het verloop van de reproductiefactor. Bij nader inzien liet deze grafiek (veel) meer zien dan je op het eerste gezicht zou denken.  Het was een onderdeel van een presentatie aan de Kamercommissie voorafgaande aan het debat in de Tweede Kamer die middag.

Het was deze grafiek:

Voor degenen, die de dagelijkse rapportages van het RIVM volgen was hier iets opvallends aan de hand. In de dagrapportages staat namelijk ook de grafiek van het Reproductiegetal. Maar die ziet er iets anders uit. Kijk maar:

Het verschil zit in het feit dat de onderste grafiek gebaseerd is op de dagelijkse opgaves van de GGD ten opzichte van de ziekenhuisopnames, teruggerekend naar de eerste ziektedag van de patiënten.

NICE  is een stichting die de ruimte en bezetting bijhoudt van IC-units in Nederland. (Dr. Gommers is daarvan de voorzitter). Tot nu toe werd door die organisatie alleen de ontwikkeling van de IC-patiënten naar buiten gebracht. Maar bij de presentatie aan de Tweede Kamer staat echter “NICE ziekenhuisopnames”.  Besef dat op basis van de bekende cijfers het aantal ziekenhuisopnames ongeveer 4 keer zo hoog is als het aantal IC-opnames. (Bij navraag bij NICE werd gemeld dat die geen ziekenhuisopnames bijhoudt, waarschijnlijk had hier moeten staan  “IC-opnames”.

Als we deze presentatie van prof. Van Dissel aan de Tweede Kamer bekijken van 3 weken eerder dan zien we dat hij toen nog wel de grafiek presenteerde die in het RIVM-rapport dagelijks zat.

Waarom zou prof. Van Dissel nu bij de laatste presentatie aan de Tweede Kamer een grafiek gepresenteerd hebben op basis van NICE-data, terwijl tot nu toe in alle rapporten van het RIVM deze grafiek is getoond op basis van GGD-data?

 

Daar kun je natuurlijk alleen maar naar raden, maar er zijn wat belangwekkende indicaties.

Kijk eens goed op welke datum de reproductiefactor bij de dagelijkse grafiek van het RIVM onder de 1 daalt. Bij het aandachtig bestuderen van de dagelijkse grafiek is dat zondag 15 maart. Volgens de formule van prof. Wallinga betekent dit dat het aantal nieuwe COVID-19 besmettingen kleiner was dan het aantal nieuwe COVID-19 besmettingen op 11 maart. En dat was dus de eerste dag dat het onder 1 is gezakt. Eenvoudig gezegd: wat we precies gedaan hebben als Nederlanders maakt even niet uit, maar alles bij elkaar heeft het op 15 maart gezorgd voor een per saldo afname van het aantal besmette personen in Nederland.

15 maart is de dag geweest dat aan het eind van de dag de ministers Bruins en Slob nieuwe maatregelen aankondigden. Het was voor het eerst dat het woord 1,5 meter gebezigd werd.

Dit was de letterlijke tekst van minister Bruins:

Van diverse kanten is de afgelopen tijd aandacht gevraagd voor het feit dat deze reproductiefactor dus al op 15 maart onder de 1 was gezakt. Op de dag dat voor het eerst expliciet de term “1,5 meter” werd geuit.

Maar als we naar de grafiek kijken die prof. Van Dissel van 25 juni in de Tweede Kamer presenteerde, dan is de datum dat de grafiek onder de 1 zakt iets later in de tijd, namelijk op 19 maart in plaats van op 15 maart.

Nu kan ik alleen maar raden naar waarom prof. Van Dissel bij de Tweede Kamer-presentatie die andere grafiek gebruikte, maar twee aspecten vielen mij op en die geef ik hieronder weer:

  1. Op 25 juni gebruikte prof. Van Dissel die grafiek op basis van NICE bij de Tweede Kamer. Maar in de dagrapporten van het RIVM (ook op 28 juni) werd gewoon de grafiek gebruikt die men steeds gebruikte, met 15 maart wel als belangrijke datum.
  2. Bij het nader bestuderen van de aan de Tweede Kamer gepresenteerde grafiek had het RIVM wel selectief geshopt uit de maatregelen die in maart door de regering zijn genomen. Ik laat jullie nu de grafiek weer zien, maar nu in rood ook nog andere maatregelen die genomen zijn/aangekondigd zijn.

Nergens staan in het overzicht van het RIVM dus maatregelen die betrekking hadden op afgelasting van bijeenkomsten. Vanaf 9 maart in Noord-Brabant, vanaf 12 maart de grote bijeenkomsten in Nederland. Op 15 maart werden er ook vrijiwel geen kerkdiensten meer gehouden. Op 23 maart was de persconferentie van premier Rutte. Toen werd meer nadruk gelegd op social distancing.

Ik zal uitleggen wat daarvan de relevantie is. Steeds meer wordt gesteld dat de grote aanjager van de uitbraak van COVID-19 de zogenaamde superspreading events zijn. Hier schreef ik er over, toen op 2 juni in de New York Times het artikel stond “Just stop the superspreading”.   Daarin wordt o.a. gesteld dat het voorkomen van superspreading events veel belangrijker is dan het houden van de 1,5 meter. In dit filmpje heb ik dat op een visuele manier getoond.

Nu wordt met regelmaat door OMT, RIVM en Premier Rutte beweerd dat het onder controle krijgen van de besmettingen in Nederland met name toe te schrijven is aan het houden van de 1,5 meter. Dat is nu ook de basis voor het beleid in de komende tijd (“tot aan het moment dat er een vaccin is”, volgens Minister de Jonge).

Nu is de stelling van de twee professoren van het artikel van de New York Times van 2 juni jl. (en ook van mij) dat het verbieden van die bijeenkomsten (minimaal) een veel groter effect hebben gehad dan het zich houden aan de 1,5 meter.

In het kader van die verschillende opvattingen is het op z’n minst opmerkelijk dat het RIVM bij de presentatie van de grafiek aan de Tweede Kamer juist die belangrijke besluiten op 9 maart en 12 maart rondom het verbieden van bijeenkomsten niet vermeldt.  En dan ook nog bij een grafiek, die het moment dat de reproductiefactor onder de 1 daalt voor het eerst op 19 maart plaatst, in plaats van op 15 maart.

Maar ik heb helaas al vaker moeten vaststellen dat bij de informatievoorziening rondom deze crisis, data -om het eufemistisch te zeggen- “gepresenteerd wordt” om het gewenste doel te bereieken.

Ik sluit maar af met de slotzinnen van het artikel van de twee professoren in de New York Times. Misschien dat die als tegenwicht ook eens gelezen kunnen worden door de politici in Den Haag?

 

 

 

 

Interview AD 27-6, inclusief Van Dissel en RKI

Op 27-6 verscheen er een uitgebreid interview met mij in het AD. Ook nog eentje met prof. Van Dissel, plus dat net de afgelopen week de sites van het Duitse RIVM en Europese RIVM aangepast waren. Achter elkaar geeft dit een hele goede indruk van de stand van zaken.

Hier kunt u de video zien die het AD gemaakt heeft en toegang krijgen/kopen tot het complete digitale artikel, inclusief links. Hieronder de screenshots. Onder de drie screenshots gaat het nog verder.

In hetzelfde AD stond er ook nog een interview van prof. Van Dissel.  Die is ook weer digitaal te lezen als u toegang heeft/koopt bij de AD-site. Ik vraag vooral uw aandacht voor wat Van Dissel daarin zegt over aerosols en ventilatie.

Op 26 juni heeft RKI,  het Duitse RIVM haar website aangepast om ruimte te geven aan de verspreiding van het virus via aerosols.

Dit staat er (vertaald uit het Duits) in:

Het ECDC (Europese RIVM) heeft 22-6 haar website aangepast. Dit staat er nu o.a.

En over ventilatiesysttemen:

Als toegitft een fragment uit een artikel in Science van  26-6

 

Ten slotte:  bijna 3 maanden geleden schreef ik dit artikel onder de titel “Eureka, dit zijn de verspreidingsversnellers, de microdruppels”.