Het gaat een stuk beter dan je denkt

Ik heb de drie belangrijkste maten van de verspreiding van het virus in één grafiek geplaatst: het driedaags voortschrijdend gemiddelde van de ziekenhuisopnames, IC-opnames en sterftes per dag.

Uit deze grafiek is goed op te maken dat eind maart de ziekenhuisopnamen en IC-opnamen op hun hoogtepunt waren, circa 10 dagen na het invoeren van de lockdown maatregelen in Nederland.

Bij de sterfte werd het hoogtepunt pas op 11 april bereikt, 12 dagen later.

  • Hoogste punt van ziekenhuisopnames was 520 per dag, nu rond de 70 (-85%)
  • Hoogste punt van IC-opnamen 110 per dag, nu rond de 20 (-80%)
  • De sterfte was op zijn hoogst 165 per dag, en is nu rond de 80. (-50%).

Maar we moeten qua sterfte wel corrigeren, doordat die qua hoogtepunt dus 12 dagen achterliep op de andere twee cijfers.

Als we daarop wel corrigeren dan waren de ziekenhuisopnames en de IC-opnames op dat moment 70% onder het hoogtepunt, terwijl dat bij de sterfte 50% minder was.  Dus de sterfte daalt langzamer dan de ziekenhuisopnames en de IC-opnames.

De verklaring is simpel. Er is één verzameling van plekken in Nederland waar de maatregelen die Nederland sinds half maart zijn genomen, geen tot weinig effect hebben gehad. Dat zijn  de zorginstellingen. Daar weten we nu ook van dat er zich veel drama’s hebben afgespeeld. In sommige instellingen is het aantal sterftegevallen zelfs boven de 20%. Maar in die instellingen is de verspreiding van het virus na 20 maart nog wel doorgegaa,n en daar zullen de sterftes relatief gezien in steeds grotere mate vandaan komen.

Dat heeft er voor gezorgd dat de daling van de sterftegevallen in de rest van de samenleving deels wordt gemaskeerd. Want als de sterfte hetzelfde patroon had gevolgd als de ziekenhuisopnames en IC-opnames dan zouden we nu 50 doden per dag hebben ipv de 80.

 

Ik heb ook de R0 proberen te bepalen op basis van de ziekenhuisopnames (zo doet het RIVM het ook). Sinds 1 april ligt het driedaags gemiddelde van de nieuwe ziekenhuisopnames ten opzichte van 4 dagen eerder steeds op een factor die tussen 0,6 en 0,9 ligt. Dus het aantal nieuwe zieken neemt sinds 1 april gestaag af. Op geen enkele manier blijkt uit deze indicator dat we op dit moment dicht in de buurt zitten van 1,0 en weer de verkeerde kant lijken op te gaan.

Nogmaals: juist omdat de superspreading events niet meer plaatsvinden is de kans op een duidelijke stijging van het aantal slachtoffers in Nederland tot aan het najaar, heel klein.

Ten slotte: als die index van het aantal nieuwe ziekenhuisopnames op 0,8 zou blijven staan, dan daalt het nieuwe aantal ziekenhuisopnames rond 1 juni naar minder dan 10. Ook als die index op 0,9 zou komen en blijven, dan zal die 10 per dag rond 20 juni bereikt worden.

Gezien de relatie tussen ziekenhuisopnames en IC-opnames zou bij een cijfer van onder de 10 het aantal nieuwe IC-opnames per dag rond de 3 komen te liggen. Drie weken later is het aantal coronapatienten die op de IC liggen gedaald naar een getal van onder de 100.

Nu zeg ik niet dat dit scenario zich ook zeker zo zal voltrekken. Maar ik wil hier met name aangeven, dat ook als door het versoepelen van de maatregelen het aantal slachtoffers wat zou gaan stijgen, er nog veel ruimte zit in het systeem.

Wat zeggen de cijfers? Doen we het goed of niet?

In de afgelopen dagen horen we van diverse kant in de talkshows op TV zeggen dat de R0 (reproductiefactor) weer oploopt naar 1. Dan krijg je toch het gevoel dat “we”, ondanks alle strenge maatregelen, toch de verkeerde kant op gaan.

Maar als je wat dieper in de feitelijke data duikt, dan zie je enerzijds hoe wankel die observatie is, en dat die stijging, als die er echt zou zijn, op dit moment weinig betekent.

Dus laten we even naar de cijfers in het juiste perspectief kijken.

  1. Het valt me op dat het RIVM het Reproductiegetal (R0) niet in de dagelijkse verslagen vermeldt. Die komt alleen langs in de wekelijkse briefing.
  2. R0 is een indicatie van hoeveel mensen andere personen besmetten. Dus als er in Nederland in totaal 100 mensen besmet zijn en die besmetten binnen een bepaalde periode 100 anderen, dan is de R0 gelijk aan 1. De R0 van COVID-19 was half maart ruim boven de 2, maar is sinds 21 maart sterk aan het dalen (volgens mij vooral omdat bijeenkomsten met meerdere mensen zijn verboden, waardoor de superspreading events niet meer plaatsvonden).
  3. Het is lastig om de zuivere R0 te bepalen. Dat komt vooral omdat we het echte aantal besmettingen niet kennen. Op basis van internationaal onderzoek, zoals deze, schatten we dat die besmettingen een factor 50 hoger liggen dan het aantal geregistreerde patiënten. Het is dus een afgeleide uit andere cijfers. Welke het RIVM gebruikt zou ik niet weten (ik neem aan ziekenhuisopnamen of sterfte).
  4. Het grote probleem bij de bekende cijfers van onze ziekenhuisopnamen/sterftegevallen is dat we niet goed registreren waar die slachtoffers vandaan komen. Laten we eens aannemen dat de helft uit zorginstellingen komt. Wat daar gebeurt staat eigenlijk los van wat er buiten die instellingen gebeurt. Er kan dus een stijging van ziekenhuisopnamen/sterftegevallen komen uit zorginstellingen, terwijl de R0 in de rest van de samenleving keurig verder daalt. Dus als bij de berekening van de R0 ook de instroom van zieken en dodelijke slachtoffers uit instellingen wordt meegeteld, zegt de R0 eigenlijk niets meer over de toestand in de rest van de samenleving.

Last but not least. Kijk naar de ontwikkeling van de ziekenhuisopnamen hieronder. Op het hoogtepunt (eind maart) ruim 500 per dag. Dat is nu gedaald naar minder dan 100 per dag. Het aantal geregistreerde overlijdensgevallen had zijn hoogtepunt circa 1 week later, met ongeveer 170 doden per dag . Dat zijn er inmiddels ongeveer 50. Het huidige percentage doden t.o.v. het hoogtepunt is 30%. Gezien het na-ijlen moeten we kijken naar de ziekenhuisopnamen van een week geleden. Dat waren er een week geleden minder dan 20% van het hoogtepunt. Dus op basis van de registratie van de sterftegevallen zou je zeggen dat het langzamer de goede kant op gaat, dan uit de registratie van de ziekenhuisopnamen blijkt. Welke van de twee geeft het goede beeld?  En welke hiervan gebruikt het RIVM?

Bij beide cijfers zijn er duidelijke problemen. Het kan gaan stijgen of dalen zonder dat dit in werkelijkheid het geval is.

Stel bijvoorbeeld dat steeds meer mensen niet naar het ziekenhuis willen met coronaklachten. Dat zou dan een verklaring kunnen zijn voor de sterkere daling van het aantal ziekenhuisopnamen. Of juist andersom.

Ten aanzien van het sterftecijfer weten we al zeker dat er iets belangrijks gebeurd is.  Uit de gegevens van het CBS blijkt dat er ruim 2 keer meer mensen zijn overleden aan corona, dan het RIVM heeft geregistreerd. Vergelijkbare verschillen zien we in allerlei landen (Dit is een overzicht van New York Times).

Sinds 10 april probeert men beter zijn best te doen om wel het juiste aantal coronadoden te registreren. Wellicht gaat daardoor het cijfer van het aantal sterfgevallen wat omhoog. Kortom: de ontwikkeling van het sterftecijfer is ook niet een onomstreden getal. Er zitten dus nog wel wat onzekerheden in de hardheid van de cijfers zelf.

Maar zelfs als het cijfer heel hard is, dan nog is het belangrijk om te weten welk deel uit zorginstellingen komt, en welk deel niet. Misschien is inmiddels het aantal sterfgevallen vooral afkomstig uit zorginstellingen, terwijl dat aanvankelijk in mindere mate het geval was?

Maar zelfs als de R0 nu wel echt rond de 1 zou zitten, dan betekent dat dat we hooguit in een situatie zouden belanden dat het aantal nieuwe besmette personen stabiel blijft, en dus bij lange na niet een situatie schept met weer forse groei. Dat risico gaat wellicht pas weer in het najaar ontstaan.

Ten slotte. Men ligt gemiddeld 3 weken op een IC.  Drie weken geleden werden er circa 70 personen per dag op IC’s geplaatst.  Dit aantal zal nu gemiddeld per dag uitstromen. De instroom op dit moment is rond de 20.

Op basis daarvan kan aangenomen worden dat de daling op de IC’s per dag, de komende dagen 40 à 50 personen per dag zal zijn. Dus op 1, 2, of 3 mei zullen we dalen naar een cijfer van minder dan 700 personen op de IC’s. En over drie weken zal dat aantal dan in de buurt van de 500 komen te liggen, als het aantal nieuwe IC-opnamen onder de 20 per dag bljven.

Ook als de R0 in heel Nederland weer rond de 1 zal komen, dan nog zal er, in ieder geval tot het najaar, geen forse stijging ontstaan van het aantal mensen op de IC’s.  Ook niet als we de maatregelen fors gaan verruimen.

Het zou me niets verbazen als dit aantal in de komende 2 maanden, het aantal patiënten op de IC’s, nog fors onder de 500 zal terechtkomen.

Wanneer gaan we eens aan de slag met die andere belangrijke patiënt die ook in ernstige toestand op de IC ligt: de Nederlandse economie en samenleving? Daarvan is de toestand de afgelopen drie weken alleen maar slechter geworden.

RIVM en Regering wijzen de verkeerde kant op

Bij de adviezen van het RIVM en de toelichtingen van de specialisten in de talkshows valt me op hoe weinig men inspeelt op belangrijk nieuw wetenschappelijk onderzoek. Daarom heb ik deze korte video gemaakt. Extra woorden zijn niet nodig.

Zweedse aanpak kost 30 doden per dag meer

Voor iedereen in de wereld die zich bezighoudt met het zoeken naar de juiste strategie bij de bestrijding van het COVID-19 virus is Zweden superinteressant. Daar zijn namelijk niet zulke harde maatregelen genomen als in veel andere landen, waaronder Nederland. Sander Schimmelpenninck was dit weekend in Zweden en heeft daarover dit geschreven.

Bij een vergelijking tussen de ontwikkelingen in Nederland en Zweden is het van belang om te beseffen, dat de bevolkingsdichtheid in Zweden veel lager is dan in Nederland. Dus gaan we onze analyse niet op heel Zweden richten maar op de provincie waar Stockholm in ligt, want daar zien we een interessante vergelijkingsmogelijkheid met Noord-Brabant.

Stockholms län, de provincie waar Stockholm in ligt, heeft inmiddels ruim 1.000 COVID-19 doden.  Dat zijn 430 doden per miljoen inwoners. Cijfers die gaan lijken op de RIVM-cijfers van Noord-Brabant, daar is het officieel geregistreerde aantal 600

Als we Brabant vergelijken met Stockholms län, dan zijn er qua inwonertal en oppervlakte behoorlijke overeenkomsten. Brabant is 5.000 km2 en Stockholms län 6.500 km2. Brabant heeft ruim 2,5 miljoen inwoners, Stockholms län bijna 2,4 miljoen.

Dit is de kaart van de twee gebieden. Omdat de vormen zelfs wat op elkaar lijken heb ik Brabant 90 graden gekanteld.

 

 

 

Als we naar het verloop van het aantal dodelijke slachtoffers in de afgelopen 30 dagen kijken, dan zien we ook daar duidelijke overeenkomsten.
Op 20 maart had Brabant al bijna 200 doden en lag dat aantal in Stockholms län pas rond de 25. Inmiddels is Brabant gestegen naar bijna 1.200 en Stockholms län naar ruim 1.000 doden.
Als we kijken naar het verloop in de laatste 2 weken, dan zien we in Brabant circa 25 doden per dag, terwijl het hoogtepunt boven de 50 lag. Dat was rond 25 maart. In Stockholms län was het hoogtepunt rond 8 april met een cijfer van omstreeks 60 per dag. Maar ook daar is de trend inmiddels dalende. Ten opzichte van het hoogtepunt zien we in zowel Stockholms län als Brabant een halvering van de sterfte.

Ondanks het feit dat men in Zweden minder restricties heeft ingevoerd dan in Nederland, lijkt het patroon – althans vanuit de officiële cijfers – behoorlijk op elkaar. Met uitzondering van de laatste week.

Hieronder een aantal grafieken waaruit dat blijkt.
Conform de cijfermatige aanpak van FT.com van Financial Times worden de sterftecijfers per dag gepresenteerd via een voortschrijdend gemiddelde over 7 dagen.

Uit deze grafiek is op te maken dat de ontwikkeling van de sterfte in Stockholms län iets later op gang is gekomen en wat langzamer dan in Brabant gegroeid is. Het hoogtepunt kwam ongeveer twee weken later, maar daarna is er ook in Stockholms län een daling ingezet.

Op 12 maart kondigde de Nederlandse regering de eerste maatregelen aan: bij voorkeur thuiswerken en bijeenkomsten met meer dan 100 mensen zijn verboden. Op 15 maart werden de maatregelen verscherpt. De hele horeca ging dicht en mensen mochten nog maximaal in tweetallen buiten lopen. De scholen gingen dicht.

In Zweden werd op 11 maart een verbod ingesteld op bijeenkomsten met meer dan 500 mensen. Op 17 maart gingen de scholen dicht en werd er geadviseerd om vanuit huis te werken. Inwoners boven de 70 jaar werd aangeraden zo weinig mogelijk contact met anderen te hebben. Op 24 maart mochten restaurants en bars alleen nog aan tafel bedienen. Restaurants moesten de afstand tussen de tafels vergroten. Op 27 maart kwam er een verbod op bijeenkomsten met meer dan 50 mensen.

Zweden is niet in intelligente lockdown gegaan, maar toch zien we – met enig tijdsverschil – eenzelfde patroon in Stockholms län en Brabant.

Dat is ook te zien in de weergave die FT.com op haar website gebruikt om internationaal vergelijkingen te kunnen doen en die ik hier heb beschreven.

Ook deze grafiek laat zien wat het verschil is tussen Zweden en Brabant.

Nu zijn er nog twee mogelijke problemen om de reeksen van de beide landen met elkaar te vergelijken.

  1. Is het aantal geregistreerde doden wel het echte aantal?
  2. Hoe verschilt de bevolkingsopbouw en welke gevolgen kan dat hebben?

Ad a. Het echte aantal extra doden door COVID-19

New York Times publiceerde op 21 april een artikel waarin men in 11 landen de sterftecijfers volgens het bevolkingsregister vergeleek met die van het opgegeven aantal COVID-doden. Nederland en Zweden stonden beide in het overzicht.

Uit deze tabel blijkt dat de oversterfte in Nederland 90% hoger is dan de opgegeven cijfers van het RIVM. De Zweedse cijfers in het overzicht zijn vrijwel gelijk aan de officiële Zweedse sterftecijfers. Als we deze bevinding op de tabel toepassen dan verdubbelen de cijfers van Brabant bijna.

ad 2. Het verschil in leeftijdsopbouw

76% van de Nederlandse COVID-19 sterfgevallen is volgens RIVM  75 jaar of ouder. 17% is tussen 65 en 74 jaar. De cijfers in Zweden zijn vrijwel hetzelfde. In Brabant is het aandeel bewoners boven de 75 jaar 9% en tussen 65 en 74 jaar 11%. In Zweden is dat wat minder, resp. 7% en 9%.

Het kleinere aantal ouderen in Stockholms län zal dus “positief” werken op het aantal sterfgevallen. Gezien het verschil in leeftijdsopbouw zou dat inhouden dat Brabant een derde meer slachtoffers zou moeten hebben dan Stockholms län.

Beide correcties werken tegen elkaar in, zodat we ons aan de originele cijfers zullen houden.

De komende twee weken zullen laten zien of het aantal slachtoffers in Stockholms län wel gaat dalen of min of meer stabiel blijft of stijgt.

Stel dat de aantallen doden per dag in Stockholms län rond die 50 per dag blijft hangen, terwijl Brabant nu naar rond de 20 doden per dag daalt, dan is dat verschil van 30 doden per dag de prijs die Stockholms län betaalt door niet in een soort lockdown te gaan zoals in Nederland het geval was. Dat betekent per 100.000 inwoners ongeveer  1,5 dode meer per dag.

 

We leren blijkbaar niets van vroeger

De uitbraak van SARS-CoV in 2002-2003, het eerste Coronavirus, heeft destijds tot belangwekkende studies geleid waar we nu met de tweede uitbraak van een dergelijke soort virus veel aan zouden kunnen hebben. Bij het bestuderen ervan kwam ik een aantal bevindingen tegen die in lijn zijn met wat ik in mijn blogs hebben beschreven.
Lees meer

De verspreiding van het virus is al vrijwel onder controle

Samenvatting

In dit artikel laat ik zien hoe het COVID-virus zich voor 15 maart heeft verspreid, voordat we in Nederland maatregelen namen. Uit de overzichten per gemeente is te zien dat de verspreiding van het virus enorm snel ging als daar een z.g.n. “superspreading event (SSE)” had plaatsgevonden. Zonder dergelijke superspreading events verspreidde het virus zich vrij langzaam. En dat terwijl er toen nog geen enkele maatregel genomen was. Ik herhaal: geen enkele! 

Besef daarbij dat ook al bij onderzoek naar de SARS-uitbraak in 2003 door wetenschappers is vastgesteld dat dergelijke superspreading events voor meer dan 70% van de verspreiding van het SARS-virus in Singapore en Hong Kong heeft gezorgd.

Nadat Nederland rond half maart tot maatregelen besloot zagen we dat de snelheid van reproductie in veel besmette gemeenten geleidelijk afnam. Deels is dat te danken aan die maatregelen, maar deels ook aan het feit dat er geen bijeenkomsten/evenementen mochten worden georganiseerd.

Deze bevindingen van de eerste weken in maart geven aan dat de kans dat er weer een grote uitbraak komt als we maatregelen verzachten, heel erg klein is. Als we (grotere) bijeenkomsten vooralsnog maar verboden houden. Daarom kan de regering zonder grote risico’s al behoorlijk wat stappen nemen met het afbouwen van de genomen maatregelen. Aan het eind van het artikel ga ik daarop in en geef ik een aantal adviezen hoe we, zonder in een 1,5 meter-maatschappij te hoeven belanden, ons leven weer verstandig kunnen oppakken.

De bevindingen

Hieronder laat ik zien dat COVID-19 zich veel minder snel verspreidt op het moment dat er geen “superspreading events” meer zijn. Dit zou grote gevolgen behoren te hebben ten aanzien van de besluitvorming inzake de exitstrategie. Vooral omdat het ook toont dat de kans op een nieuwe uitbraak -bij de juiste keuze van maatregelen- vrijwel nihil is.

Het is belangrijk te beseffen dat er twee hoofdmanieren zijn hoe het virus van de ene mens naar de andere springt:

  1. Een niet besmette persoon komt op korte afstand in contact met virusdruppels die aan de mond of neus van een virusdrager zijn ontsnapt. Door WHO en RIVM wordt aangenomen dat als je op 1,5 meter afstand van een ander blijft en iedereen zich aan de instructies t.a.v. een goede persoonlijke hygiëne houdt, de kans dat je op deze manier toch besmet wordt, heel klein is. Daarnaast laat nieuw onderzoek zien dat de kans dat het virus via voorwerpen wordt overgedragen ook heel klein is.
  2. Een besmet iemand scheidt ook microdruppels uit (aerosols). Die kunnen blijven zweven en op die manier kan één besmet persoon vele anderen besmetten. In de afgelopen maand is er steeds meer informatie beschikbaar gekomen over grootschalige en kleinschalige bijeenkomsten, waar dit in sterke mate is gebeurd. Ik noem deze gebeurtenissen “superspreading events”. Een Canadese journalist heeft een interessant artikel geplaatst, waarin hij 58 van deze superspreading events heeft gedocumenteerd.

Al eerder heb ik beschreven hoe groot het effect van de superspreading events zijn op de verspreiding van COVID-19. Ik beschreef wat er gebeurd is rondom de wedstrijd van Atalanta Bergamo-Valencia op 19 februari  en wat er gebeurd is na een benefietavond in de Nederlandse plaats Kessel op 5 maart. Maar we weten ook van dit soort superspreading events in bijvoorbeeld Daegu (Korea), Madrid, Mulhouse, Kuala Lumpur en New Orleans (Mardi Gras). En onlangs zag ik ook op de televisie dat er op 25 januari in Wuhan nog een grote nieuwjaarsbijeenkomst was geweest.

De condities zijn dan blijkbaar dusdanig dat die kleine deeltjes van het virus lang in de lucht kunnen blijven en vervolgens veel van de aanwezigen besmetten. Het lijkt erop dat als er door de aanwezigen wordt gezongen de risico’s het grootst zijn, versterkt door slechte ventilatie en/of lage luchtvochtigheid. (Vergelijkbare patronen herkennen we ook bij massale besmettingen van passagiers op cruiseschepen, bemanning op marineschepen, en -helaas ook- bij bewoners van zorginstellingen).

Vandaag kwam ik een studie uit 2004 tegen over de verspreiding van het SARS-virus in 2003. Ook een coronavirus.  En daar is toen al vastgesteld dat meer dan 70% van de verspreiding van het virus door superspreading events komt. Ook geven zij aan dat het vermoedelijk veroorzaakt wordt door aerosols en dat de luchtventilatie er invloed op heeft!!

Rond 15 maart werden in Nederland de maatregelen genomen om de verspreiding van het virus te vertragen. Dat houdt in dat de effecten ervan vanaf 21 maart in de cijfers terug te vinden moeten zijn. De cijfers van daarvóór reflecteren dus de periode waarin we nog op een normale manier met elkaar leefden. Het virus had toen nog vrij spel.

Er zijn gelukkig cijfers beschikbaar van de ontwikkeling van het aantal besmettingen per dag per gemeente. Het is daarbij belangrijk om te beseffen dat het aantal aangetoonde besmette personen, overal ter wereld, een grote onderschatting is van het aantal echte besmettingen. In Nederland schat ik dat in werkelijkheid het aantal besmette personen een factor 50 groter is dan uit de test blijkt. (Dit is in lijn met de resultaten van een random onderzoek in LA County). Dat zou betekenen dat eind maart rond de 600.000 mensen in Nederland waren besmet (ruim 3%).

Hier treft u kaarten en grafieken aan met cijfers per gemeente. Die zijn afkomstig van het RIVM en mooi verwerkt door de Geodienst in Groningen en de Aletta Jacobs School of Public Health. Op basis van deze cijfers heb ik de analyses gemaakt die u hieronder ziet.

Ik wil dus dieper duiken in hoe de besmetting zich in Nederland verspreidde, vóórdat de genomen maatregelen impact hadden. Want daar kunnen we veel uit leren over wat we kunnen verwachten als we maatregelen gaan afbouwen. Het aantal besmettingen is door het RIVM per gemeente bijgehouden tot 30 maart jl. De laatste 9 dagen van die maand reflecteren dus de periode dat de maatregelen al effect zouden moeten hebben gehad op de verspreiding van het virus. De dagen ervóór niet.

‘R0’ is de belangrijke factor waarmee gerekend wordt bij een pandemie. De z.g.n. reproductiefactor geeft aan hoe snel het virus zich verspreidt. Bij influenza wordt een R0-waarde tussen 1,1 en 1,3 aangehouden. Over COVID-19 lijkt de consensus te zijn dat de R0 zonder enige maatregelen ergens tussen de 2.2 en 2.5 ligt. Als dat een tijd zonder wijzigingen het geval blijft is er sprake van een exponentiële groei. Door de genomen maatregelen half maart geeft het RIVM aan dat de R0 in Nederland, ergens eind maart, in de buurt van de 1 was komen te liggen en daarna verder naar beneden is gegaan.

De grote vraag is natuurlijk wat nu precies de risico’s zijn als maatregelen worden afgebouwd. Het mantra lijkt te zijn dat het zo maar weer mis zou kunnen gaan als we een verkeerde stap doen of te snel afbouwen. Maar hoe groot zijn die risico’s? Dat lijkt op dit moment pure speculatie te zijn.

Er is evenwel een manier om wat rationeler te kijken naar hoe groot de risico’s nu echt zijn. Want voor 15 maart hebben we gewoon een normaal leven geleefd en kon het virus zich dus optimaal verspreiden. Pas bij de waarnemingen vanaf 21 maart moeten de maatregelen effect hebben gehad.

Als je dan naar de cijfers van afzonderlijke gemeenten kijkt, dan zijn daar toch wel belangrijke aanwijzingen uit te halen over wat er zou kunnen gebeuren als we maatregelen zouden afbouwen.

Laten we ons eens richten op de gemeente Loon op Zand. Daar werd eind februari het eerste coronageval in Nederland vastgesteld.

 

(Deze grafieken zijn de cijfers per 100.000 inwoners. Voor ons doel zijn we vooral geïnteresseerd in de stijgingsfactor van de ontwikkeling in de tijd.

Begin maart waren er in Loon op Zand 4 virusdragers, allen in één familie. Op 21 maart waren het er 14.   In de laatste 9 dagen van de maand steeg het aantal besmette personen nog slechts  met een factor 2.   (Hierbij moet u steeds rekening houden met het gegeven dat een ontdekt besmet  geval in feite gemiddeld staat voor 50 besmette personen).

Ook in de gemeente Altena bij de Biesbosch was begin maart al één besmet persoon.

Na 21 dagen stond in Altena het aantal besmette personen op 22. In de laatste 9 dagen verdubbelde ook hier het aantal besmette personen. En ook dat wijst op een R0-waarde in de buurt van de 1,0.

Maar hoe komt het dan dat in maart het aantal besmette personen in Nederland wel exponentieel toenam?

Dat laat ik zien door in te zoomen op een aantal gemeenten waar evident een superspreading event plaatsgevonden heeft. Peel en Maas is daarvan een goed voorbeeld. In het dorp Kessel (ruim 4.000 inwoners) was op 5 maart een benefietbijeenkomst met meer dan 300 mensen. In dit blog heb ik het uitgebreid beschreven.

Het evenement was op 5 maart. Op 11 maart werden de eerste besmettingen in de gemeente geregistreerd en op 21 maart waren het er al 63.  Dus in 10 dagen is het aantal besmette personen gigantisch gestegen. Uitgaande van die 50 maal onderschatting van het aantal echt besmetten personen zou dat betekenen dat in die gemeente op 21 maart, 16 dagen na het event, al meer dan 3.000 personen in deze gemeenten (met een zwaartepunt in Kessel) waren besmet.  Maar tussen 21 en 30 maart steeg in deze gemeente het aantal besmette personen met nog maar iets meer dan een factor 2. En dat lijkt dus op de cijfers van Loon op Zand en Altena. Het effect dus van de maatregelen die rond 15 maart werden genomen!

Terwijl in Peel en Maas het superspreading event van 5 maart het startpunt was van de grote uitbraak, is dat in Uden zondag 1 maart geweest. Dat zien we in de grafiek hieronder. Vrijwel zeker is bij één of meer kerkdiensten iemand aanwezig geweest die op dat moment besmet was en meegezongen heeft.

 

Op 6 maart werd de eerste besmetting vastgesteld. Op 21 maart was het aantal besmette personen in Uden 76. Een stijging in 15 dagen met een factor 76. En ook in Uden zien we dat tussen 21 maart en 30 maart de stijging nog maar een factor 2 was.

Emmen is een gemeente, die een nog trager verspreidingsbeeld geeft dan Altena. Op 8 maart werd de eerste besmetting geconstateerd. Dus terwijl er besmette personen in Emmen waren die anderen konden besmetten waren er op 21 maart nog maar 4. Dus zonder enige maatregelen was er in Emmen met 100.000 inwoners slechts sprake van een hele lichte toename van het aantal besmette personen!!!

Hier zien we in de laatste 9 dagen wel een wat grotere stijging dan in de andere gemeenten. Het stijgt daar met een factor van 3,5. Eind van de maand had Emmen (via die vermenigvuldigingsfactor van 50) naar schatting 0,7% besmette personen in de gemeente, terwijl dat in Uden al 15% geweest moet zijn.

Ook als we naar andere gemeenten kijken is het effect van superspreading events duidelijk herkenbaar. Kerkdiensten op 1 en 8 maart en de biddag voor het gewas van 11 maart  lijken in die gemeenten met name de boosdoeners. Maar ik ben ook in kennis gesteld van uitbraken van het virus na koorrepetities of – uitvoeringen.

Hieronder een selectie van die gemeenten:

Ter vergelijking een aantal gemeenten die ook in de eerste 10 dagen van maart al een besmetting hadden, maar waar de verspreiding veel langzamer ging, blijkbaar omdat er geen superspreading event had plaatsgevonden.

Als je naar de ontwikkeling kijkt in grotere gemeenten, met 5 tot 20 keer zoveel inwoners dan die kleine gemeenten, dan wordt het door de wet van de grote getallen binnen die gemeenteneen soort mix van superspreading events en de “normale” verspreiding van mens tot mens. En die kan je daardoor niet meer apart herkennen.

In Tilburg (niet ver van Loon op Zand) was de eerste besmetting op 1 maart. Op 21 maart was het aantal 154. Dat zit zo ongeveer tussen de eerste groep gemeenten en de tweede groep gemeenten in. Het is dus uitermate waarschijnlijk dat ook in Tilburg tussen 1 en 8 maart via kerkdiensten, koorrepetities of feesten, superspreading events hebben plaatsgevonden.

Tussen 21 en 30 maart zien we ook in Tilburg een stijging van maar iets meer dan de factor 2. Breda vertoont, met een achterstand van enkele dagen, hetzelfde patroon als Tilburg.

Als je alleen naar de totaalcijfers in Nederland per dag kijkt, dan zie je wel een exponentiële groei tot aan eind maart. Maar als je naar de gemeenten afzonderlijk kijkt, dan zie je een veel genuanceerder beeld. Terwijl in de meeste gemeenten waar het virus al een tijdje rondwaarde, de stijging tussen 21 maart en 30 maart nog maar rond de factor 2 lag, was het voor heel Nederland een factor 2,8. En dat komt omdat er op half maart nog 120 gemeenten waren waar nog geen besmetting was vastgesteld en de meeste hiervan kwamen pas in het laatste deel van maart op stoom.

 

 

Conclusies

De bestudering van de ontwikkeling in de gemeenten tussen 1 en 21 maart laat zien dat superspreading events, toen er nog geen maatregelen golden, tot een heel sterke stijging van het aantal besmettingen hebben geleid. Maar dat als die er niet waren, dat dan, zonder enige maatregelen als social distancing en het verbieden van het bezoek aan de horeca, kappers, manicures e.d, die reproductiefactor een stuk kleiner is.

In dit blog heb ik uitgelegd waarom we bij griepepidemieën, de invloed van superspreading event niet of niet makkelijk kunnen herkennen. Maar bij COVID-19, met geen enkele historische immuniteit onder de aanwezigen, merk je een week erna direct dat die bijeenkomst een grote impact heeft gehad.

Als we alles weer zouden gaan doen, precies zoals voor 15 maart (iets wat ik absoluut niet propageer) en we zouden alleen bijeenkomsten van meer dan 3 mensen verbieden, dan alleen al zou de verspreidingsfactor dalen naar dicht bij 1. Voor de goede orde, dat is dus gewoon alles weer doen, zoals we voor 10 maart deden en dus zeker niet als “1,5 meter maatschappij”!

De Israëlische voorzitter van de “National Council for Research and Development”, een professor in de wiskunde, stelde vast dat overal in de wereld een vergelijkbaar patroon herkenbaar is.  De eerste 40 dagen een stijging en daarna een daling. Waarvan hij aangaf dat het erop leek dat die dan na een tijdje op nul uitkomt.

In discussies gaf hij aan dat hij daar geen verklaring voor had, maar het wel opmerkelijk vond dat het erop leek dat de maatregelen die men al dan niet genomen had, weinig invloed op die curve hadden. Waar hij ook keek zag hij min of meer hetzelfde patroon, ook in een land als Zweden.

Mijn analyse is de missende schakel in de bevinding van deze professor. Want er is één maatregel die wel vrijwel overal in de wereld wel is genomen:

Het verbieden van bijeenkomsten met een groter aantal mensen.

Vrijwel alle landen hebben, naast de maatregelen die ze hebben genomen (van een complete Lockdown, via een intelligente Lockdown, tot een wat vrijere aanpak als in Zweden), die maatregel genomen, waardoor de “superspreading events” (vrijwel) niet meer voor kunnen komen. Alleen daardoor al is de verspreiding van het virus aanzienlijk vertraagd. De andere maatregelen, die door regeringen worden genomen, duwt de R0 (ruim) onder de 1 en dat is het beeld dat die Israëlische professor overal in de wereld zag.

Dit zou grote gevolgen moeten hebben voor het beleid van regeringen en zeker ook de Nederlandse!

Zolang de bijeenkomsten met een groter aantal mensen verboden blijven, is de kans nul dat er weer een grote uitbraak komt van het virus “waardoor al onze inspanningen worden teniet gedaan” zoals Premier Rutte zei, op voorspraak van de leden van het OMT.

We zouden nu al stappen kunnen nemen, die de kans op nieuwe besmettingen kleiner houdt dan in Schagen, Zeewolde, Stichtse Vecht en nog vele andere gemeenten het geval was voor 21 maart van dit jaar.

Natuurlijk met slim beleid. Net zoals Duitsland verplichte mondbescherming in Openbaar Vervoer en winkels zou al een goede stap zijn weg van de volledig onnodige 1,5 meter samenleving, zoals ik hierboven heb aangetoond. Kappers, manicures, pedicures, schoonheidsspecialistes (met mondkapjes) kunnen dan zonder enig bezwaar weer aan de slag. Ook de horeca zou weer kunnen opstarten. Zeker op terrassen in de buitenlucht. Maar ook met wat extra voorzieningen binnen.

Ik denk zelf dat ook bewezen zal worden dat het overal buiten dragen van mondbescherming ook betekent dat we geen 1,5 meter afstand hoeven te houden. Oost-Azië wijst ons daarin de weg. En in Jena in Duitsland is men dat al een tijd aan het doen met hele goede resultaten.  Maar als we dat nog niet willen/kunnen, dan is de 1,5 meter afstand (behalve dus in openbaar vervoer en winkels) vooralsnog een goede keuze. En ouderen zijn inderdaad het meest kwetsbaar en die zouden vooralsnog voorzichtiger moeten zijn. (Ook hier is mondbescherming voor de ouderen zelf en hun bezoekers een verstandige keuze).

Er zijn inmiddels ook een aantal andere belangrijke lessen geleerd, vanuit die superspreading events. Die we ook nog moeten toepassen zolang het COVID-virus nog heerst.

Het is evident dat in besloten ruimtes waar vreemde mensen bijeenkomen, het risico het grootst is dat het virus zich via aerosols verspreidt. Een goede ventilatie en een luchtvochtigheid van 45% bij 20 graden is een extra voorzorg tegen die verspreiding via aerosols.

In kantoren, zorginstellingen en scholen is de wijze waarop de interne ventilatie en verwarming/koeling wordt geregeld een risicofactor. Ook hier zijn duidelijk aanwijzingen dat de aerosols zich via dat soort systemen, als die niet goed ingeregeld zijn, verspreiden. Waardoor denkt u dat op een marineschip 900 mensen zijn besmet? Niet doordat al die 900 zich binnen anderhalve meter hebben begeven van een besmet iemand, die daarmee anderen heeft besmet. Nee, het komt vooral door die zwevende aerosols.  Dat zelfde risico was/is er ook bij zorginstellingen. Doorgaans weinig buitenventilatie. Daar waar in een zorginstelling veel mensen zijn besmet, liggen twee oorzaken het meest voor de hand: kerkdienst of feestavond met veel bewoners van de instelling of de interne verwarming/ventilatiesysteem.

Hoewel het ongetwijfeld zo is dat kinderen minder kwetsbaar zijn bij de verspreiding van COVID-19 zou een dag op school ook kunnen uitlopen op een superspreading event.  Om dat te voorkomen moeten scholen het volgende doen:

  • Zoveel mogelijk ventileren en als het mogelijk is in de buitenlucht les geven.
  • De luchtvochtigheid in het gebouw naar het niveau brengen van 6 g/kg (dat is ongeveer 45% relatieve vochtigheid bij 20 graden Celsius). Op deze plek kunt u deze waarde uitrekenen.
  • Als de ventilatie en/of luchtcirculatie of vochtigheid, binnen de school niet goed is, het zekere voor het onzekere nemen en mondbescherming gaan gebruiken.
  • En zeker niet met de klas gaan zingen…..

Aan de hand van het bovenstaande is het heel goed mogelijk prima de balans te houden tussen de volksgezondheid en het belang van de economie en de maatschappij.

We moeten ervan af, dat we ongefundeerd bang worden gemaakt, dat het virus ieder moment weer kan uitbarsten, als we weten dat we de grootste bron van de verspreiding, de superspreading events, hebben verboden. Laten we met elkaar nu vooral de energie besteden om de samenleving weer snel en slim op te starten op basis van goede analyses en data en niet op basis van loze kreten.

Last but not least: er zijn vele aanwijzingen, dat als het warmer en vochtiger wordt, de verspreiding van het virus verder vertraagd wordt , o.a. in dit onderzoek door het lab van Homeland Security in de US. Niet dat daarmee het virus volledig verdwijnt. In het najaar worden die omstandigheden weer ongunstiger. Maar dan hebben we al veel meer geleerd (althans dat zou zo moeten zijn), om zo goed mogelijk een grote verspreiding van het virus, zoals het de laatste anderhalve maand is geweest, te voorkomen.

P.S. In het licht van mijn bevindingen, lijkt me de keuze van het verplaatsen van de vergaderingen in het Kamergebouw naar de oude veel kleinere Tweede Kamer zaal niet echt verstandig. Als daar de ventilatie en verwarmingssysteem niet optimaal is afgesteld dan lopen de aanwezigen in de zaal (zowel leden van de regering, van de kamer en de pers op de balkons), onnodige risico’s.  Hoewel de Kamerleden doorgaans niet gezamenlijk zingen, is het wel zo dat alle aanwezigen op enig moment spreken en als er iemand toch besmet zou zijn, dan kan hij of zij naast de druppels (die steeds keurig door de kamerbedienden worden weggehaald) ook aerosols verspreiden. In de grote zaal, lijkt dat minder tot risico’s te leiden.

 

Corona crisis research 19-4-2020

In the Peil.nl research with questions in relation to the Corona crisis, a number of issues were (again) raised, including the question of what to do with the exit strategy. Three weeks ago, 55% felt that exit measures should wait until the virus was (virtually) gone. 42% thought that we could also start with exit measures, even if there was still a chance of being infected; 3% wanted to stop the lockdown immediately.

These figures are gradually changing. Meanwhile, 55% (+13) want exit measures to start, even if there is still a chance of being infected, 6% (+2) want to stop immediately and 35% (-15) want to maintain the lockdown until the virus is (almost) gone.

This graph shows the results of the last few weeks by gender and age. We now see that within the group of 65+, 49% is in favor of a lockdown, while there is still a chance of being infected. That was 28% three weeks ago.

On the question of what chance one gives oneself to be infected, we also see an interesting development. Over time we see that percentage decrease. Whereas three weeks ago the percentage that gave itself a chance of more than 50% was 33%, now it is 22%. 6% indicates that they think they are (or have been) infected themselves.

We also asked if they know anyone infected with the Corona virus. That’s rising gradually.

We also tried to establish a relationship between places visited in the last 6 weeks and contamination in one’s own family and in the network of relationships.

Finally, workers were asked how easily the company/organisation where they work can adapt to the 1.5-metre society, as announced by Minister Wiebes. 28% of the workers indicate that it is not possible and 17% only with substantial adjustments, which will clearly have consequences.

The graph below shows these results, compared to the sector in which people work.