Alsof ik bij een PVV-bijeenkomst heb gezegd dat ik Zwarte Piet wil afschaffen

Woensdag schreef ik dit stuk in De Volkskrant, waarin ik een eenvoudige spellingshervorming voorstelde. Ik sprak er ook over bij Pauw.

Vier (!) columnisten bij De Volkskrant namen mij hierover de maat. Ook Youp schreef zaterdag zijn wederom grappige column erover  (ik had me “onsterfelijk belachelijk” gemaakt). Vanaf donderdag stond de brievenrubriek van De Volkskrant vol met afwijzende reacties. (Sommige met ronduit absurde argumentaties). Als je die reacties las leek het erop alsof ik bij een PVV-bijeenkomst had voorgesteld om Zwarte Piet af te schaffen.

(Ik moest ook erg lachen om de columnist Aleid Truyens afgelopen zaterdag in De Volkskrant, die zich o.a. zorgen maakte dat je dan in 2030 in Google geen “peilingen” meer terug kan vinden uit het verleden, als je dan “pijlingen” zou opgeven. Ze weet blijkbaar niet dat als je anno 2016 “pijlingen” bij Google intypt, je dan (ook) een overzicht krijgt van “peilingen”. De kans is trouwens heel groot dat in 2030 we vooral tegen onze apparaten praten a la Siri nu, en dan hoort het apparaat het verschil tussen “peilingen” en “pijlingen” sowieso niet).

Ik zag een interessante vergelijking bij deze reacties met de wijze waarop buurtbewoners in opstand komen als er een AZC in de buurt wordt gevestigd. Dan vinden de meeste Volkskrant lezers dat die buurtbewoners hun persoonlijk bezwaren moeten overwinnen ten gunste van het algemene belang. Maar dat geldt blijkbaar niet als het om de Nederlandse spellingsregels gaat. Vandaag heb ik daar in een reactie in De Volkskrant mijn verbazing over geuit.

Het interessante is daarbij dat ik nogal wat mail en andere persoonlijke reacties had gekregen van mensen die positief reageerden. Die aangaven hard gezwoegd te hebben op de spelling op school en nog steeds fouten te maken. En daardoor schroom hadden teksten te produceren.

Maar die reacties las ik niet in De Volkskrant. (Behalve iemand die het over dyslexie had, waar ik ook een aantal reacties over had gekregen).

Natuurlijk weet ik niet precies welke reacties De Volkskrant heeft gekregen om in de krant te plaatsen. Van één voor mij  positieve reactie weet ik het wel. Die is donderdagavond naar De Volkskrant gestuurd. Die was van Prof. Han van der Maas van de Universiteit van Amsterdam. Één van de grondleggers van de programma’s Rekentuin en Taalzee.

Ook vandaag stond deze reactie niet in De Volkskrant. Dat bevreemdt me nog al. (Zeker gezien het “geweld” van de vier columnisten en de vele brieven die wel zijn  geplaatst).  Wellicht is het toch te confronterend voor de heetgebakerde lezers en columnisten, die op de aantasting van de spellingsregels vrijwel net zo fel en ongenuanceerd reageren als PVV-kiezers op het vervagen van het Nederland zoals zij het altijd kenden?

Dit was zijn ingezonden brief, die de brievenredactie van De Volkskrant, ondanks ook een verzoek van mij, niet wilde plaatsen:

“Geheel voorspelbaar buitelen Volkskrantcolumnisten en briefschrijvers over elkaar heen om het voorstel tot taalversimpeling van Maurice de Hond belachelijk te maken. Niemand gaat echt in op de argumenten van de Hond.

Miljoenen Nederlanders hebben de grootst mogelijke moeite met de Nederlandse taal terwijl haar (schriftelijke) beheersing een cruciale factor is als het gaat om toegang tot de arbeidsmarkt. Uiteraard is goed onderwijs noodzakelijk maar we moeten vaststellen dat het Nederlandse onderwijsbestel, één van de beste van de wereld, niet in staat is te voorkomen dat 2.5 miljoen Nederlanders als laaggeletterd door het leven gaan. Maar ook hoogopgeleiden worstelen met onze taal, zie bijvoorbeeld de explosieve toename van dyslexieverklaringen in het hoger onderwijs.

Maurice de Hond wijst er terecht op dat taalregels kunnen en mogen veranderen. Zijn voorstel om de ei te vervangen door de ij is bescheiden en zijn argumentatie is helder. De kwaliteit van de reacties is bedroevend. De één overdrijft het voorstel tot in het absurde, een tamelijk kinderachtig vorm van argumenteren. Een ander wil pas bewegen als de Hond eerst een consistente en volledige oplossing biedt voor alle eigenaardigheden van de Nederlandse taal. De volgende vraagt zich af of we ook priemgetallen kunnen afschaffen, zich blijkbaar niet bewust van het verschil tussen een wiskundig verschijnsel en een menselijke taalafspraak die haar basis al lang verloren heeft. Anderen wijzen er vernuftig op dat sommige woorden in beide spellingen andere betekenissen hebben (pijl, peil). Dat we daar in de spreektaal geen last van hebben en dat vele woorden in de Nederlandse taal een dubbele betekenis hebben (bij), komt dan weer niet in deze mensen op. Iemand stelt zelfs voor klokkijken af te schaffen, alsof het verschil tussen 1 en 2 uur even triviaal is als tussen tauw en touw.

Pogingen onze taal minder elitair te maken kunnen rekenen op een Volkskrant vol gemakzuchtige en soms zelfs honende reacties. Dat is best schrikken. Waar zijn we bang voor?

Han van der Maas, Hoogleraar UvA”

I rest my case

Spitzer weer in de bocht

In 2013 schreef Manfred Spitzer het boek “Digitale Dimentie”.  Ik las het en mijn broek zakte af. In het laatste hoofdstuk liet hij zien van welke invalshoek hij zijn boek schreef.  Zelf bewust geen televisie in huis. Het ideale leven volgens hem schetsend waarbij je denkt dat je dan in een hutje op de hei moet gaan zitten. De journalist Peter Teffer (@peterteffer) analyseerde destijds dat boek en beschreef daarbij uitgebreid hoe selectief Spitzer met zijn noten bezig was. Hij pakte er alleen uit wat in zijn beeld paste. Absoluut niet zo wetenschappelijk als hij zelf pretendeert. Dit was zijn korte weergave van zijn analyse. En dit de uitgebreide

In Duitsland is Spitzer vorig jaar met een nieuw boek uitgekomen, dat deze week in Nederland uitkomt. “Cyberkrank”.  In Nederland heet het “Digiziek”. In Duitsland was de ondertitel  “Hoe het digitale leven onze gezondheid ruineert.” In Nederland met de ondertitel “Hoe wij ons verstand kapotmaken”. De Duitse ondertitel ging blijkbaar de Nederlandse uitgever wel wat te ver.

Deze week komt het in Nederland uit en in De Telegraaf van vandaag staat er een uitgebreid artikel over. Eigenlijk kan ik daar hetzelfde over schrijven als ik in 2013 deed. Lees het aub nog een keer. 

Elke technologische ontwikkeling uit de geschiedenis heeft zijn voor- en nadelen. En  het is ook niet erg op de mogelijke negatieve kanten van technologische ontwikkelingen te wijzen.  Maar als je erin slaagt, zoals Spitzer in 2013 deed en nu weer, geen enkel positieve kant ervan te melden, en ongeveer alles wat er negatief is aan het leven toewijst aan die technologische ontwikkeling, dan heb je gigantische oogkleppen op.  Bega je als wetenschapper de grote fout alleen datgene uit de literatuur te pakken wat jouw mening ondersteunt (waar Peter Teffer in 2013 vele voorbeelden van gaf). Ergens aan het eind van zijn boek uit 2013 schrijft hij letterlijk het volgende: “Mijd  digitale media. Daarvan worden we …… dik, dom, agressief, eenzaam, ziek en ongelukkig.”  Dan kan ik je als wetenschapper niet serieus nemen, ook al staat er Herr Prof. Dr. Dr. voor je naam (jaja, twee keer Dr.)

Ik heb hem toen een dwaallicht genoemd, en dat doe ik nu weer. Ik beschreef het in 2013 als volgt “alsof de Taliban een boek over het christendom schrijft”.

Als je alles volgt wat Spitzer vindt dan moet je direct in een hutje op de hei gaan wonen. En als je je kind compleet weghoudt van de digitale wereld (wat hij dus vindt), dan doe je je kind ernstig tekort en zet je hem op achterstand naar de toekomst toe.

Ik eindig met dezelfde zinnen als ik in 2013 schreef:

De wereld wordt steeds digitaler of je het leuk vindt of niet. Als je het wilt zien biedt het mogelijkheden aan jongeren (en ouderen) die men jaren geleden voor onmogelijk had gehouden. Alle kennis in de wereld is letterlijk een muisklik van je verwijderd. Je kunt met veel meer mensen communiceren dan je vroeger kon.  Dankzij computer en tablet ben je ook in staat om je persoonlijke productiviteit aanzienlijk te verhogen (doordat je niet meer door fysieke grenzen wordt belemmerd). Dat levert nieuwe kansen op en nieuwe bedreigingen. Het is anders dan vroeger, niet beter of slechter.  Maar het slechtste voor je kinderen zou zijn als je alleen maar de bedreigingen ziet en het alleen maar slechter vindt dan vroeger. Want we hebben nog geen tijdmachine waarmee je je kind naar dat verleden kan meenemen. Als ouder en als school heb je de plicht om je kind op de toekomst voor te bereiden. En dat doe je absoluut niet als je het advies van Spitzer opvolgt.

 

Beste Casper, zet ook je deur open!

In je reactie op mijn interview in De Volkskrant over onderwijs met de titel “Onderwijsbetweter Maurice de Hond grossiert in drogredeneringen” eindig je met  “deze kamergeleerde heeft inmiddels al lang het raam wijd opengezet’.

Maar het wordt ook tijd om als docent onderwijskunde ook je deur open te zetten, alsmede je ogen en je oren!

Toen we ruim 4 jaar geleden als Stichting O4NT naar buiten kwamen met ons manifest was jij één van degenen, die via een vraag van een tv-reporter een kritische reactie gaf op onze voornemens. Hans Theeboom van onze Stichting heeft je daarna op de Universiteit bezocht en sinds de eerste scholen in augustus 2013 zijn begonnen hebben we je meermalen uitgenodigd om op onze scholen te komen kijken.

Het is nu juni 2016 en je bent nog nooit geweest. Lees meer

Die “Verborgen Crisis” is groter

Beste Sander van Walsum,

Terecht dat de titel van jouw commentaar in de Volkskrant van vrijdagochtend “verborgen crisis” is.  Je gaat daarbij in op het OESO rapport over het onderwijs in Nederland, dat aangeeft dat ons onderwijs zich teveel richt op de gemiddelde leerling, Met o.a. als gevolg dat veel leerlingen gedesinteresseerd en ongezeglijk zijn.

Ik wil echter een belangrijke kanttekening plaatsen bij jouw commentaar en daarmee ook bij het OESO-rapport.

Sinds we met een nieuw model voor het basisonderwijs zijn begonnen (Steve JobsSchool genoemd, in de wandelgangen vaak met iPad -school aangegeven) hebben we bezoekers gehad uit meer dan 60 landen en ben ik ook in veel landen geweest om daar lezingen te geven over deze nieuwe aanpak. Daarbij heb ik een goed inzicht gekregen van de problematiek rondom het onderwijs in de hele wereld en begrijp ik ook beter waarom men zo in onze aanpak is geïnteresseerd.

Als kern van de problematiek in Nederland zie jij, zoals je het in je commentaar formuleert, als:  “De gedroomde situatie -aandacht voor de persoonlijke mogelijkheden- is onbereikbaar in  een publiek onderwijsbestel”.

Dat is absoluut geen unieke situatie in Nederland. In elk land waar wij contact mee hebben gehad, inclusief Finland, is dit het geval. Het is namelijk het schoolmodel dat sinds de tweede helft van de 19e eeuw de hele wereld heeft veroverd en door Ken Robinson via zijn door miljoenen bekeken lezing “Changing Education Paradigms”  zo perfect is beschreven en bekritiseerd.

Een schoolmodel dat door de regulering van overheden, gericht op de kwaliteit van de output, trouwens in bijna alle landen ook is opgelegd aan de steeds meer groeiende private onderwijssector.

Dat dit model wordt gehanteerd heeft ook te maken met de ratio van het aantal leerlingen op het aantal leerkrachten (en dus ook met het beschikbare geld).  Als er per leerkracht bij voorbeeld 22 leerlingen zijn en de leerlingen worden gegroepeerd op basis van hun leeftijd, dan is het inderdaad niet echt mogelijk om aandacht te besteden aan die persoonlijke mogelijkheden.

Daarmee worden kinderen tekort gedaan. Een probleem dat in de 21e eeuw nijpender is, omdat kinderen die nu opgroeien, vanaf hun geboorte verkeren in een omgeving met veel technologie (televisie, computer, tablets, smartphone) en de gevolgen ervaren van onze veel grotere mobiliteit dan vroeger. Zowel door zelf veel vaker en verder van de geboorteplaats te komen dan de kinderen van vroeger en veel vaker (fysiek of virtueel) met mensen en culturen in contact te komen van plekken over de hele wereld. Om dan op school gelijkt behandeld te worden als andere kinderen, louter omdat men dezelfde leeftijd heeft, is de bron van veel problemen.

Dat heeft niet alleen in Nederland tot gevolg dat er veel meer kinderen gedesinteresseerd zijn en ongezeglijk. Misschien komt het door de Nederlandse cultuur dat het meer herkend wordt. In andere landen uit zich dat op andere wijzen, terwijl de problematiek van gedesinteresseerdheid en ongezeglijkheid in alle landen een stijgende trend kent.

Waar ik ook kom, overal is er de behoefte om in het onderwijs meer aandacht te besteden aan de persoonlijke mogelijkheden van kinderen. En onderkennen velen dat het onderwijsstelsel in hun land te weinig ruimte geeft voor de ontwikkeling van de individuele talenten van de kinderen. Maar ook teveel aandacht schenkt aan kennis en vaardigheden die door de digitale revolutie van de laatste 20 jaar minder van belang zijn geworden. En te weinig aandacht aan kennis en vaardigheden die sindsdien (veel) belangrijker zijn geworden.

Daarmee komen we tot de kern van het schoolmodel dat wij gestart zijn en dat door Tech Insider als een van meest innovatieve scholen in de wereld is aangeduid. Dat voor velen in de wereld als richtinggevend wordt gezien voor de weg die het onderwijs zou moeten volgen. Door het slim gebruiken van technologie zorgen we ervoor dat, voor ongeveer hetzelfde geld en met ongeveer hetzelfde aantal medewerkers, wel aandacht is voor de persoonlijke mogelijkheden van de leerlingen.

En wat zien we dan: niet alleen dat kinderen meer kennis en vaardigheden opdoen die van belang zijn voor hun leven in de 21e eeuw. Er is meer ruimte om zich op hun eigen tempo te ontwikkelen. Ze kunnen meer bezig zijn met hun talenten en passies. En dat (daardoor) de problematiek rondom het  ongeïnteresseerd en ongezeglijk zijn beduidend minder is.

Wij bewijzen dat die ook volgens jou “gedroomde situatie”  wel mogelijk is in een publiek onderwijsstelsel! In veel landen wordt inmiddels onderzocht om scholen te starten met onze aanpak. Bij voorbeeld: over vier weken ben ik in Zuid-Afrika om twee scholen te openen die hiermee gaan beginnen.  Helaas is in veel landen de regelgeving en het controlemechanisme op het terrein van onderwijs dusdanig dat het alleen ruimte biedt voor het oude systeem. (O.a. door na ieder schooljaar examens/toetsen af te nemen om vast te stellen dat alle leerlingen ieder jaar op alle vakken een bepaalde ontwikkeling hebben doorgemaakt.) Waarmee de vernieuwingsslag onmogelijk wordt gemaakt of gefrustreerd.  Gelukkig is Nederland daarop een uitzondering. Overal is bewondering voor het feit dat ons schoolmodel gewoon mogelijk is binnen een publiek gefinancierd stelsel.

Concluderend: Die verborgen crisis in het onderwijs, zoals de titel van jouw commentaar luidt, is er inderdaad.  Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd. Gekoppeld aan een schoolmodel dat stamt uit de 19e eeuw. Met regelgeving en controle die op veel punten achterhaald is. Met steeds negatievere gevolgen voor kinderen, die overal in de wereld door overheden verplicht worden, gedurende 10 a 15 jaar, circa 1000 uur per jaar, naar school te gaan, onder het voorwendsel dat ze daar prima worden voorbereid op de toekomst. Terwijl ze in werkelijkheid gevangen worden gezet in ons verleden en te weinig ruimte wordt geboden om hun eigen talenten en passies te ontdekken en te ontwikkelen.

Wij bewijzen dat dit oude model doorbroken kan worden, ook binnen een publiek onderwijsstelsel. Aan de ene kant is de door jou gememoreerde verborgen crisis dus wereldwijd het geval. Aan de andere kant is het anno 2016 toch mogelijk een publiek onderwijsbestel te hebben waar wel aandacht is voor de persoonlijke mogelijkheden van de leerling. En dat kan door slim gebruik te maken van ICT. Een aanpak waar iedereen met een verantwoordelijkheid voor het onderwijs, inclusief de ouders, veel sterker op zou moeten inzetten. In het belang van onze kinderen.

Zoo, nu wil ik mijn pannekoek

Mijn vader is in 1914 geboren. Op elfjarige leeftijd werd hij van school gehaald om zijn arme ouders te helpen fruit te verkopen op het Waterlooplein in Amsterdam. Ik vond dat hij goed Nederlands sprak, maar bij het schrijven maakte hij -vond ik- eigenaardige fouten.  Zo schreef hij “zo” altijd als “zoo”.  En schreef hij “mens” als “mensch”.  Onlangs zag ik dat weer terug, toen ik zijn oorlogsdagboek doorbladerde.

Mijn van origine Cubaanse vrouw heeft kort na haar aankomst in Nederland, via de inburgering, goed Nederlands geleerd (NT2). Zij had in Cuba ook Engels gestudeerd en na de lessen Nederlands gaf ze aan dat ze onze taal op veel punten zo onlogisch vond.  Zij begreep niet waarom wij woorden als “slapen” zo schrijven, terwijl we het toch met een “lange a”   uitspreken. Waarom schrijven we dat niet als “slaapen”? En “jij wordt” met “dt”, terwijl je die “t” niet hoort , vond ze ook lastig om onder de knie te krijgen. Ze merkte op dat ze veel regels uitgelegd kreeg, maar dat elke regel weer een groot aantal uitzonderingen had.

Mijn dochter is nu op school lezen en schrijven aan het leren. Ze is tweetalig (Spaans en Nederlands) en leert nu eerst lezen en schrijven in het Nederlands.

Door de opmerkingen van mijn vrouw over het Nederlands en mijn ervaringen met het schrijven van mijn vader heb ik me verdiept hoe de taalregels in Nederland in het verleden tot stand zijn gekomen.  Op Wikipedia staat daar een prima overzicht van.

Extra aandacht gaf ik aan de veranderingen van 1934, want die zijn gekomen toen mijn vader 20 was en hij 9 jaar van de lagere school af was. Die verandering door Minister Marchant had blijkbaar de volgende zaken tot gevolg (zoals op Wikipedia staat):

  • naamvalsverbuiging (zoals op den stoel) verviel, behalve bij woorden die uitsluitend een man of een mannelijk dier aanduiden (zoals aan den heer en van den stier).
  • oo en ee aan het einde van open lettergrepen (zoo, heeten) veranderde in o of e, behalve ee aan het einde van een woord (zee).
  • de sinds de periode van het  Middelnederlands  uit de gesproken taal verdwenen palatalo-alveolaire klank aan het eind van veel woorden op -s verdween, bijvoorbeeld in visch en mensch.
  • de ‘th’ (met niet uitgesproken h) bleef soms (thans, theater, thee, katholiek) en verdween soms (atleet, auteur, retoriek, panter).
  • De uitgangen ‘-isch’ (als in logisch) en ‘-lijk’ (mogelijk) bleven wel onveranderd

Daar zag ik dus o.a. waardoor de grammatica van mijn vader verschilde van wat ik geleerd had. Daar staat inderdaad bij dat “zoo”  voortaan als “zo” moest geschreven worden en “heeten” voortaan “heten”.  (Maar “zee”  moest “zee” blijven en werd niet “ze”, terwijl dat in relatie tot “zo” logischer lijkt).

Als je de overige veranderingen ziet door de jaren heen op die Wikipedia pagina, dan herken ik verder wat mijn vrouw bedoelde met het gebrek aan logica en de vele uitzonderingen. Dat is trouwens iets wat steeds opvalt als die veranderingen van de laatste 200 jaar worden bekeken. Zo heeft de verandering in 1995 veel verwarring geschetst over de zogenaamde tussen-n.   En net zoals mijn vader problemen had met “zoo” ben ik op dat punt van tussen-n vaak volledig in twijfel over hoe het nu ook weer zit.

Als ik wel eens bij lezingen of discussies zeg dat het goed zou zijn als we de regels van het schrijven van het Nederlands meer zouden moeten vergemakkelijken, dan merk ik zelfs nog meer weerstand dan wanneer ik het over de noodzakelijke veranderingen in het onderwijs heb. Alsof de regels van het Nederlands al eeuwenlang in beton gegoten zijn en niet gebaseerd zijn op keuzes die in  het verleden gemaakt zijn en daarbij ook nog regelmatig zijn veranderd, zoals die Wikipedia-pagina mooi laat zien.

Als onze regels logischer en consequenter zijn en meer lijken op onze uitspraak (“slaapen” in plaats van “slapen” dus),  dan hoeven we minder tijd op school te besteden aan het leren van het goed spellen van het Nederlands. Dat kan aan andere nuttige zaken worden besteed. Worden er ook minder fouten gemaakt in teksten.

Ongetwijfeld zal dat ouderen eerst problemen op leveren (want het wordt anders), maar we bevrijden onze kinderen en hun nageslacht van een onnodige last en verspilling van tijd op school.

 

P.S. Over het leren van Nederlands door Spaanstaligen en andersom vond ik dit leuke blog.

 

 

 

Train jonge hersenen voor de 21e eeuw

Dankzij de column van Aleid Truijens van vandaag in De Volkskrant, weet ik eindelijk waarop onze grote verschillen in opvatting over het onderwijs zijn gebaseerd en we blijkbaar voor een deel langs elkaar heen praten.

Mijn eyeopener kwam door haar reactie op mijn stelling “dat de wereld waarin we nu leven compleet anders is dan de wereld waarin de mensen boven de 40 jaar zijn opgegroeid”.  Zij  vindt dat een dooddoener, want dat geldt volgens haar voor iedere generatie.  Ze bevestigt dat kinderen inmiddels alles in 3 seconden kunnen opzoeken en concludeert dat de noodzaak voor een stabiele basis groot is: “hoe plaatsen ze die nieuwe feiten? Hoe leren ze samenhang zien? Hoe wordt informatie tot kennis en leidt kennis tot inzicht?” schrijft ze.

Ons verschil van mening zit erin dat ik de verandering, die we de laatste 20 jaar hebben doorgemaakt, van een heel andere orde vind, dan de veranderingen die vorige generaties hebben doorgemaakt.  De ontwikkeling van internet en mobiele apparatuur heeft onze toegang tot en onze relatie met informatie revolutionair veranderd. Daarnaast heeft de snelle, massale en globale uitrol van deze technologie onze communicatiemogelijkheden met anderen, waar ook ter wereld, exponentieel uitgebreid. Zoals ik in mijn boek uit 1995 “Dankzij de snelheid van het licht” al had aangekondigd. De factor afstand is in veel van ons opereren volledig irrelevant geworden. Door die ontwikkelingen zijn er veel nieuwe beroepen en bedrijven gekomen. Door de alom aanwezigheid van de digitale technologie zijn nieuwe vaardigheden belangrijk geworden en andere vaardigheden van veel minder groot belang.

Als je, zoals Truijens, deze verandering ongeveer gelijk stelt aan veranderingen die vorige generaties hebben meegemaakt, dan kom je inderdaad tot de conclusie, dat je in het onderwijs niet zoveel hoeft te veranderen. Maar ik vind dat die veranderingen zo ingrijpend zijn, dat het onderwijs juist wel een forse veranderingsslag moet maken (wat trouwens het Platform Onderwijs2032 ook vindt). De noodzaak is groot, omdat die door mij geschetste ontwikkeling nog een belangrijk effect heeft. Leerlingen hebben buiten school, via de daar beschikbare technologie, toegang tot alles wat die digitale, virtuele wereld biedt, aan informatie, kennis, ontspanning, contacten, relaties etc. Ook een totaal andere situatie dan de generatie die voor 1995 opgroeide, met grote gevolgen voor het leven buiten en op school.

Ook ik vind dat het belangrijk is dat kinderen leren hoe ze de nieuwe feiten plaatsen, hoe ze de samenhang leren zien en hoe informatie tot kennis leidt en kennis tot inzicht. Maar in tegenstelling tot Truijens denk ik dat dit nu op scholen niet of niet meer goed gebeurt, omdat men zo slecht inspeelt op de door mij geschetste veranderingen. Die stabiele basis die zij noodzakelijk vindt, is namelijk niet een basis die door de tijd heen hetzelfde blijft, maar is er één die door al die veranderingen, ook fors aangepast dient te worden.

Het grappige is, dat zij mijn stelling prima illustreert in de rest van haar column, waarin ze het o.a. heeft over het Grieks en wiskunde in relatie tot mijn opmerkingen over ondernemerschap en programmeren.  Zij stelt dat Grieks leren zo belangrijk is geweest omdat daarmee jonge hersenen geweldig mee worden getraind. Het mag volgens haar ook een andere moeilijke taal zijn. Want als je die onder de knie krijgt dan zijn andere talen een eitje. En wiskunde legt de basis voor een leven lang abstract en analytisch denken, geeft ze aan. En ondernemen en programmeren zijn volgens geen basisvakken, maar beroepen. Waarna ze verzucht “duw kinderen aub niet, althans in de algemeen vormende fase, door het trechtertje van de beroepskeuze, laat ze hun mogelijkheden en verlangens ontdekken.”

Inderdaad kan je met Grieks (of een andere taal) hersens geweldig mee trainen. En met wiskunde kan een basis gelegd worden voor een leven lang abstract en analytisch denken. (Hoewel ik nogal wat mensen ken die wiskunde op school hebben gehad en niet goed abstract en analytisch kunnen denken). Maar er is nog veel  meer dan Grieks en wiskunde, waarmee je jonge hersenen geweldig kan trainen en ze abstract en analytisch kan leren denken. Bij voorbeeld door te leren programmeren, waarbij een moeilijk vraagstuk, via de regels van de eenduidige logica die een programmeertaal nu eenmaal heeft, toch tot een oplossing gebracht moet worden.  Of uitdagingen in een complexe situatie op te lossen waar je als ondernemer voor kan staan. En zo kan ik nog met een rits van voorbeelden komen, die blijkbaar door Truijens worden opgevat als een beroepsvoorbereiding. Maar door mij juist wordt gezien als een geweldige training van je hersenen en je persoonlijkheid.

Waarom denkt Truijens dat als je zegt dat je zou moeten leren programmeren dat dit dan een beroepskeuze is waarbij je iemand opleidt tot programmeur?  Zij vindt toch ook niet dat als je op school Wiskunde geeft dat je dan louter iemand opleidt tot Wiskundige/Wiskundeleraar! Leren programmeren is namelijk ook een prima manier om abstract en logisch te leren denken. Met als extra component dat je ook vaardigheden leert die je prima van pas kunnen komen bij het gebruik van digitale apparatuur en –als je die kant op wilt- ook een uitstekend ondergrond geeft voor bepaalde (veelal nieuwe) beroepen.

Veel van hetgeen ooit in het onderwijs terecht kwam (zoals Grieks, Latijn en Wiskunde) werd niet primair ingebracht omdat het zo een geweldige training was van de jonge hersenen, maar had als expliciete bedoeling dat je het later in je (academische)  carrière ook echt ging gebruiken. Dat is ook nog goed te herkennen in de wijze waarop dat onderwijs nu nog wordt gegeven en uit welke onderdelen (zie de wiskunde) dat nog bestaat. Zoals Conrad Wolfram in zijn TED-lezing zo prima uitlegt.

Nu is het grotendeels een soort relict uit het verleden, die wordt onderbouwd, omdat het zo geweldig is voor de ontwikkeling van je hersenen. Mijn pleidooi is nog steeds om die hersenen van de jongeren geweldig te trainen maar dat vooral te doen met projecten, activiteiten, lessen, en uitdagingen, die veel meer aansluiten bij de wereld waarin we nu leven en de kinderen later in terecht komen. Programmeren en ondernemerschap vallen daaronder.

Last but not least: Als er nu één ding is waar ik scholen op dit moment ernstig in vind tekort schieten is dat het laten  ontdekken van de mogelijkheden en verlangens van leerlingen.  Uit onderzoek dat ik heb gedaan bleek dat bijna twee derde van de Nederlanders aangeeft op hun 19e nog niet geweten te hebben wat men later wilde worden. En geeft 55% van de afgestudeerden HBO-ers aan dat als men het over had moeten doen een andere studie had gekozen. Ik verwacht dat als het trainen van de door Truijens en mij  gewenste training van jonge hersenen wel op een manier gebeurt, die ik bepleit, leerlingen veel beter hun mogelijkheden en verlangens kunnen ontdekken dan nu het geval is. En dat is toch wat we onze kinderen toewensen.

Kinderen, op school gevangen in ons verleden

Bij de discussies over vernieuwing in het onderwijs zien we vaak twee zaken over het hoofd. Per jaar gaan kinderen ongeveer duizend uur naar school en onderwijs moet leerlingen voorbereiden op het leven in 2025 en later.

De beperking van 1000 schooluren per jaar dwingt ons keuzes te maken in het onderwijsaanbod; je kunt een uur maar één keer besteden. In voorstellen aan het Platform Onderwijs2032 en in plannen van politici hoor ik steeds wat scholen allemaal op scholen (nog) meer moeten doen. Maar zelden hoor ik wat er kan vervallen. Als we echter niets uit het lesaanbod schrappen, ontstaat er ook geen ruimte voor iets nieuws.

Inmiddels hebben we de grootste revolutie meegemaakt op het gebied van kennis en vaardigheden sinds de introductie van het gedrukte boek. Google en Wikipedia, smartphones en sociale media zorgen ervoor dat je waar ook ter wereld altijd de beschikking hebt over alle informatie in de wereld. Dit leidt tot een compleet andere wereld dan de wereld waarin de mensen boven de veertig jaar zijn opgegroeid.

Toen de informatierevolutie nog niet had plaatsgevonden, was het als volwassene veel moeilijker  om de voor jou relevante informatie te vinden en en veel minder gebruikelijk om nieuwe vaardigheden op te doen. Wat je op school leerde was ‘just in case’.  We leren je het nu, wie weet heb je het ooit nodig. Veel van wat je leerde was in de rest van je leven nooit meer relevant.

Door de informatierevolutie is het onzinnig om ‘just in case’ te leren. We moeten kinderen nu de vaardigheden leren die ze nodig hebben om problemen die ze tegenkomen op te lossen, vaak met behulp van digitale bronnen. Kennis van internetsites vinden, beoordelen en toepassen (‘find, filter and apply’) en samenwerken met mensen uit hun sociale netwerk , online en offline. We moeten veel ruimte geven voor creativiteit, kritisch denken, leren leren, burgerschap. Het advies van het Platform Onderwijs2032 beschrijft dat heel goed als aardig, vaardig en waardig.

Ik bepleit absoluut niet dat kennis overbodig is en dat kinderen alles voortaan maar moeten opzoeken. Ik zou het jammer vinden als deze karikatuur zou overblijven van mijn pleidooi om eens kritisch te kijken naar de waarde die we hechten aan schijnbaar onwrikbare elementen in het curriculum. Natuurlijk is een gemeenschappelijke kennisbasis relevant. De vraag is echter wel over wélke kennis of vaardigheden je nu zou moeten beschikken. Mijn punt is: andere kennis en vaardigheden dan vroeger. Enerzijds omdat een deel van die kennis en vaardigheden niet meer echt van belang is anno 2016. Anderzijds omdat het veel makkelijker en logischer is om na je schooltijd nog nieuwe kennis en vaardigheden op te doen. In de schoolperiode moeten we kinderen toerusten om kennis en vaardigheden te verwerven met de technologie die nu beschikbaar is. Leren doe je ‘just in time’, in plaats van ‘just in case’. Het gaat minder om de kennis die je hebt, het gaat er meer om wat je met informatie kunt doen.

Door delen van het curriculum te schrappen creëren we ruimte om leerlingen vooral met relevante projecten aan het werk te zetten, waarin ze, bij voorkeur met elkaar, creatieve oplossingen proberen te vinden voor de uitdagingen waar ze zich voor gesteld zien. Daarbij doen ze de voor hen relevante kennis en vaardigheden op. Kennis die beter beklijft en vaardigheden waar ze ook de rest van hun leven wat mee zullen doen. Ze werken vanuit hun intrinsieke motivatie en niet vanuit een plicht die ze vanuit de overheid via de leerkrachten wordt opgelegd.

Als gezegd, dat kan natuurlijk niet zonder een bepaalde basiskennis en bepaalde vaardigheden. Maar tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat er stevig gewied moet worden in ons oude curriculum.

Waarom besteden we op school nog veel tijd aan mooi met schrijfletters schrijven en niet om met tien vingers blind te leren typen? Vroeger werden er staartdelingen geleerd, omdat er geen rekenmachines waren en dat de enige manier was om het antwoord te vinden. Maar waarom doen we het nu nog? En leren we niet of nauwelijks om met Excel te werken? Waarom leren we nog steeds Grieks en Latijn op het Gymnasium en niet wat ondernemen is? En waarom besteden we zoveel tijd aan wiskunde en is er amper tijd voor algoritmes en programmeren?

Ik kan de antwoorden op deze vragen inmiddels dromen, schrijven is goed voor de motoriek, de Oudheid is de bakermat van onze democratie, en cijferend rekenen is een voorwaarde om de rekenmachine te kunnen bedienen. Vaker niet dan wel zijn dit drogredenen om maar niet te hoeven veranderen. Je kunt er het klassieke generatieconflict in herkennen: de oudere generatie zich niet kan of wil inleven in het nieuwe leven van de jonge generatie. Maar bedenk wel zolang we het oude op scholen blijven doen is er geen of weinig ruimte voor het nieuwe. Zullen kinderen zich vooral buiten school met de nieuwe wereld gaan bezighouden, zich steeds luider afvragend wat ze op school nog doen. Zo houden we de kinderen op school, onder de valse belofte dat ze op hun toekomst worden voorbereid, feitelijk gevangen in ons verleden.