ICT kan juist wel goed op scholen gebruikt worden

SONY DSC

Master Steve JobsSchool in Sneek

Aleid Truijens gaat, evenals trouwens de andere media in Nederland, in haar column van zaterdag “ICT heeft valse hoop gewekt” voorbij aan de belangrijkste conclusies van het deze week verschenen belangwekkende OECD rapport over de relatie tussen schoolresultaten en het gebruik van ICT.

Zij komt in haar column tot dezelfde conclusie als men zou trekken als men die nieuwsberichten over dat rapport leest: het effect van ICT op scholen is teleurstellend en we moeten er op school niet teveel mee doen. Uit de tekst van haar column zou je ook kunnen opmaken dat het lesgeven van kinderen vanuit een individuele leerweg met behulp van een iPad  door de resultaten van dit rapport wordt afgeraden.

Dankzij het internet is het heel eenvoudig om alle veronderstellingen, methoden en conclusies van dit OECD-rapport grondig te bestuderen: http://www.oecd.org/education/new-approach-needed-to-deliver-on-technologys-potential-in-schools.htm.

En dan blijkt dat, in tegenstelling tot wat Truijens aangeeft, dit geen onderzoek is over het gebruik van ICT in de afgelopen tien jaar. maar over de periode 2009-2012.  Tablets waren op scholen nog niet in gebruik, evenmin als lesprogramma’s en didactiek die daarop afgestemd waren.

Het onderzoek beperkt zich bovendien tot leerlingen van 15 jaar (geboren rond 1997) die de PISA toets hebben gemaakt.  De vragen over computergebruik van de leerlingen betreffen de maand voordat de PISA toets werd afgelegd.  Het zegt weinig over de  situatie op school en thuis in de 10 jaar voordat zij hun PISA toets deden.

Noch dat het wat zegt over de relatie tussen leren en ICT bij de generatie die bijvoorbeeld geboren is rond 2003. Laat staan over de generatie die op of na 2009 geboren is, van wie al een behoorlijk deel voordat ze naar school gaan met ICT (smartphone of tablet) vertrouwd zijn geraakt.

Hoewel de cijfers per land verschillen (er is geen onderzoek in Nederland gedaan) komt het resultaat naar voren dat van deze 15-jarigen in 2012 met een gematigd computergebruik tot wat betere resultaten leidt dan van degenen die geen computer gebruikten. En dat frequenter computergebruik op school juist tot wat slechtere resultaten leidt dan het gematigder computergebruik.

Maar welke conclusies moet je daar nu uit trekken? Dat je dan maar terughoudend moet zijn met het gebruik van ICT, zoals ook Truijens aangeeft?

Het antwoord op die vraag geeft het OECD rapport zelf. Zowel in het persbericht op de site als in het voorwoord van het rapport. Dit is de kop op de OECD site: “Nieuwe benadering nodig om op scholen profijt te kunnen trekken van de mogelijkheden van de technologie”. Het zou een kop van een artikel kunnen zijn, dat ik geschreven had.

En in het voorwoord schrijft de directeur van de afdeling onderwijs van de OECD o.a. het volgende:
“We zijn blijkbaar nog niet goed genoeg om een pedagogie te ontwikkelen waarbij technologie optimaal wordt gebruikt: toevoegen van 21e eeuwse technologie aan 20e eeuwse lespraktijken lijkt de effectiviteit van die lespraktijken aan te tasten.”

En ook: “We moeten ervoor zorgen dat leerkrachten uitgerust worden met leeromgevingen die 21e eeuwse pedagogie ondersteunt en kinderen uitrust met de 21e eeuwse vaardigheden om in de wereld van morgen succes te kunnen hebben.”

Ten slotte doet hij een oproep aan degenen die verantwoordelijk zijn voor het onderwijs om te zorgen dat leerkrachten vaardigheden opdoen om te kunnen veranderen en nieuwe vormen van onderwijs te geven en te leiden. En om voldoende geld voor dit veranderingsproces ter beschikking te stellen.

Terwijl de column van Truijens zich op basis van dit rapport lijkt af te zetten tegen de vorm van onderwijs die ik voorsta, sluiten de aanbevelingen van de directeur van de OECD precies aan bij de principes waarmee  wij  in 2012 begonnen met de nieuwe schoolvorm, de Steve JobsSchool (in de wandelgangen iPad School genoemd).

Op die scholen voldoen we aan deze oproep van de OECD: een nieuwe schoolvorm scheppen met de iPad als middel om dat te doen. Wij gebruiken wel een 21e eeuwse pedagogie om kinderen voor te bereiden op het leven na 2025.

Met vanzelfsprekend een cruciale rol voor de leerkracht. Maar wel in een andere rol dan bij de 20e eeuwse school. Niet vooral de uitvoerder zijn van een door uitgevers gemaakte lesmethode, die mede door de klassenstructuur niet kan inspelen op het grote verschil tussen de individuele kinderen en hun wisselende behoeftes. Maar meer zich als coach richten op het individuele ontwikkelingsplan van afzonderlijke leerlingen.

Gebruikmakend van de interactieve en adaptieve mogelijkheden van apps en trainingsprogramma’s voor rekenen en taal op de tablet. Individuele begeleiding van leerlingen bij de problemen die zij hebben, omdat er tijd is vrijgemaakt doordat men niet elke avond opdrachten van de leerlingen moet nakijken en door een andere aanpak van het lesaanbod. En kinderen meer vrijheid en flexibiliteit te geven waardoor allerlei belangrijke niet-cognitieve vaardigheden worden ontwikkeld, zoals creativiteit, samenwerken, kritisch denken, mediawijsheid, ict-geletterdheid.

Maar dan wel vanuit het motto dat ook in het rapport staat, en dat Truijens terecht ook vermeldt: “Technologie kan het lesgeven prima versterken, maar kan slecht lesgeven niet vervangen.” Maar wat Truijens en mensen van Beter Onderwijs Nederland echter keer op keer lijken te ontkennen, zie ik op onze scholen juist wel veel:  dat prima lesgeven heel goed kan samengaan met intensief gebruik maken van technologie. Niet met ICT als doel op zichzelf, maar als een prima hulpmiddel om te kunnen differentiëren binnen het onderwijs, zodat talenten en mogelijkheden van kinderen het best tot hun recht komen,

2 reacties
  1. Elsje Dijkstra
    Elsje Dijkstra says:

    De computer in de klas – goed of fout?
    In de discussie over de inzet van ICT in de klas wordt voortdurend gepraat over de computer als leermiddel. Dat is raar. We hebben het toch ook niet over de boekenkast als leermiddel?
    Leermiddelen zijn theorieboeken, oefenboeken, oefenmateriaal, uitleg en instructie, voorbeelden, de leraar zelf en softwareprogramma’s. Het bijzondere van een goede softwareprogramma is dat het alle leermiddelen in zich verenigt. Maar alleen wanneer het programma op de goede manier wordt gebruikt.
    De computer is niets meer dan de boekenkast voor de boeken.
    Onderzoek naar het effect van de computer in de klas is hetzelfde als onderzoek naar het aantal boekenkasten. Hoe vaak wordt er in de boekenkast gekeken? Hoe lang staat de kast geopend? Hoeveel leerlingen zijn er per boekenkast? Gaan de prestaties omhoog wanneer er meer boekenkasten staan? Onzinnige vragen.
    Het wordt tijd om de discussie te voeren over het echte leermiddel: het softwareprogramma.

  2. Krid1942
    Krid1942 says:

    Beste Elsje,

    Ik ben het helemaal met je eens dat de computer een soort boekenkast is waar de software bepalend is die de scholen gebruiken als leermiddelen.
    In mijn onderwijs tot 2012 werkten wij op onze basisschool wel zo met schitterende resultaten. Het was echter niet alleen de boekenkast met software die gebruikt werd. Ook andere leermiddelen die bij een bepaalde leerstap behoorden (boeken, opdrachtkopieën, spelletjes, loco, enz. Zorgden dat er een veelheid aan mogelijkheden waren om e.e.a. In te oefenen. Daartoe was de school en klasseorganisatie wel anders dan in scholen die ik in den lande bezocht. Wij hadden gecombineerde klassen met verschillende groepen. Ieder kind was daardoor alijd de oudste, de middelste en de jongste. Er mocht in de werkhoeken geholpen worden. Het werk kon zelf nagekeken worden. De leerkracht tekende de taak af als die netjes en goed was gedaan. Hij was meer stimulator en begeleider dan de ouderwetse leerkracht. Instructie gaf hij wel aan die leerlingen die een bepaalde leerstap hadden geoefend en een voldoende testresultaat hadden behaald. Dit werd nagekeken en geadminisreerd in de klassemap.
    De leerlingen begonnen hun lesuur volgens rooster vanuit de kring. Eerst gingen de leerlingen naar de werkhoek die nog hun taak van de vorige keer moesten afmaken. Vervolgens de andere leerlingen die hun keuze mochten doen uit de nog vrije plekken. Echter moest eerst twee andere werkhoeken gekozen zijn eer ze b.v. Weer de computerhoek konden kiezen.
    Dit vergde van leerkrachten wel dat ze verplicht waren te differentiëren. Maar ook dat er niet per leergroep instructie werd gegeven. Nieuwe leerkrachten werd altijd geholpen door andere leerkrachten, die meer ervaren waren. Ook de klasseruimte was vergroot doordat de ganruimte werd benut. Vanuit de klas kon je schuifdeuren openzetten, waardoor er altijd zicht was op de kinderen.
    We kregen vaak bezoet uit binnen- en buitenland. De leerlingen gaven doordat ze gewend waren aan bezoekers altijd hun eigen antwoorden.
    Door zelf de werkkeuzen te maken en dat werken met werlhoeken liepen de leerniveaus wel uitelkaar. Maar als je daaraan gewend bent verloopt alles soepel en ben je alleen met eigen werk bezig en is veel spanning in de groep verdwenen.
    Als leerkracht is dan ook observeren en hulp bieden bij probleempjes belangrijk.
    Zelf kon ik indertijd wel een dag met een leerling bezig zijn terwijl de groep gewoon op tijd een ander circuit kreeg om mee te werken.
    Dus niet alleen de boekenkast met ICT onderdelen, maar ook andere wekvormen daarbij lijken mij het best. Daarnaast een eigen school- en klasseorganisatie, die gericht moet zijn om individueel werken mogelijk te maken.

Laat een reactie achter

Discussieer mee.
Gebruik onderstaand formulier om een reactie achter te laten.

Geef een reactie